Death Valley

Death Valley, vallei des doods, doet zijn naam alle eer aan. Het kan er gruwelijk heet worden, tot ruim 50 graden. Het leven hier heeft zich op alle mogelijke manieren aangepast. Waar wij, imperfecte mensen (al vinden we onszelf nog zo geweldig) ons behelpen met airco en heel veel water, leven hier dieren die het water uit de o zo droge lucht halen of vocht uit hun prooien. Hoe heet het hier ook kan worden, toch is deze schijnbaar doodse omgeving springlevend met een prachtige fauna en flora. De kleuren van de landschappen zijn spectaculair en door een enorm deel van deze vallei strekt zich een droog meer uit.

Death Valley

Dit meer was vroeger 80 meter diep en nu is het een zout- en mineralenvlakte. Het smeltwater van gletsjers en sneeuw stroomt hier naar toe, waar het vervolgens verdampt. Badwater is het laagste deel en ligt 80 meter onder de zeespiegel. Er staat hier nog wel wat water, dat vele malen zouter is dan de oceanen. En toch leven er diertjes in, zoals piepkleine schelpdiertjes en larven. Het zoutmeer mag je op, maar naar de poeltjes niet. Daar is een zogeheten board walk naar toe. De naam Badwater komt van een meneer die het zo noemde, toen hij zijn ezel hier wilde laten drinken, wat het dier heel logisch weigerde. Want het was ‘bad water’, niet giftig maar ongelooflijk vies. Op de board walk staat iedere meter een bordje dat je toch vooral hier op moet blijven, om de zo kwetsbare habitat niet te beschadigen.

Death Valley

Ragfijne, scherpe zoutpilaartjes zijn er door de jaren heen ontstaan, een kunstwerkje van de natuur. Je ziet aan het platgetreden paadje dat veel mensen schijt aan dat verbod hebben, net zoals de paar Chinezen die er nu liepen. Ik keek ze al woedend aan, maar ze zagen het niet. Ik weet niet wat het is met die lui. Bij uitkijkpunten dringen ze iedereen weg, willen gefotografeerd worden als ze in groepjes in de lucht springen, hun vingers in het ‘V’ teken en ze maken enorm kabaal. Vaak reizen ze in een touringcar waar ‘China Tours’ op staat en die bussen zijn altijd geel. Of dat sarcastisch bedoeld is of toeval weet ik niet, maar iedereen zucht als zo’n bus er aankomt. Ook als die weer vertrekt, maar dan van opluchting. Nu dit weer. De meneer had zich met enige moeite op de board walk gehesen, terwijl de twee vrouwen van het water proefden, waarvan ik hoopte dat het schelpdierdrolletjes bevatte. Daarna hesen ze zich ook op had looppad en ik wierp die ene tante een blik als een kei toe. Zo’n blik waar ik vervelende, krijsende kinderen in supermarkten mee stil krijg. Ze keek onzeker terug waarop ik brulde: “Dat mag niet, TRUT.” Ze keek benauwd, zei wat woorden die klonken als een snerpend, aanlopend fietswiel en liep schichtig voorbij. Het werd al laat, dus besloten we door te rijden naar Stovepipe Wells, een plek met een hotelletje, zwembad, plekken voor campers en restaurant. We kwamen langs Furnace Creek, een veel luxere omgeving maar die ons niet trekt. Het was er druk met onder andere wegwerkzaamheden. Tja, wat bleek, ze waren een paar weken eerder gesloten in verband met onderhoudswerkzaamheden. Zowel Furnace Creek als Stovepipe Wells zijn in de zomer gesloten in verband met de enorme hitte dus onderhoudswerkzaamheden moet je niet dan uitvoeren. De camping van Stovepipe Wells was niet vol, maar er zijn maar zestien plekken met water en elektriciteit en die waren allemaal verhuurd. We konden wel een tentplek nemen (dry camping), maar daar heb je dus geen faciliteiten zoals elektriciteit. En het is in deze hitte toch wel fijn om je airco te laten draaien. De meneer aan de receptie die het ook niet kon helpen, raadde ons aan naar Beatty te gaan (spreek uit: Bedie). Of hij een camping voor ons kon bellen. Nou, Beatty was een grote stad met veel hotels enzo. Nee, echt enorm, dus wie moest hij bellen? We moesten er maar gewoon naar toe gaan. Drie kwartier rijden over een zeer bochtig, maar wel prachtig, traject. Maar als je al moe bent, is dat toch wel even net te veel. Goed, we kwamen in Beatty aan. Een doorgaande weg met 2 campings, een casino met restaurant en meer niet. Daarbij vergeleken is Essen een booming metropool met bruisend nachtleven. Henrie nam geen risico en had van tevoren de camping in Beatty gebeld, voor het geval dat…

We konden terecht en werden, nadat we ons buiten geïnstalleerd hadden, prompt aangesproken door een meneer die wel een praatje wilde. Van een half uur. Aardige man, dat wel, die zijn huis verkocht had en nu al negen jaar met zijn vrouw rondtrok. Het is een manier van leven, hij noemde zichzelf een “full-timer”. Nadat hij weer naar zijn camper was vertrokken, genoten we van de rust en de stilte. Maar we realiseerden ons ook heel scherp dat we zo mogen genieten, omdat we kunnen bouwen op een paar geweldige vrienden die Noordernieuws tijdens onze vakantie van ons overnemen. En dan onze onvolprezen Sandra, de poezenoppas, die onze harige vriendjes en vriendinnetjes koestert, verwent, verzorgt en bemoedert.

Death Valley

We reden de volgende dag terug naar Death Valley en stopten bij de beroemde Sand Dunes, duinen dus. Miljoenen jaren worden hier stof en zand door de wind aangevoerd, die in dit dal neerslaan en zo de duinen vormen, die daarom altijd van vorm en formaat blijven veranderen. Moet je je even voorstellen, al deze duinen die op deze manier zijn ontstaan. Dat duizelt je gewoon en het is niet te bevatten hoe oud ze dan al moeten zijn.

Death Valley

In tegenstelling tot de duinen in White Sands, wordt het zandoppervlak hier loeiheet en kan in de zomer 93 graden worden (F). In White Sands wordt de hitte gereflecteerd door de spierwitte kleur van het gipspoeder, hier dus niet. Denk maar aan het hete strand in de zomer, maar dan nog tientallen graden heter. De spaarzame regen die hier valt, sijpelt door het zand naar beneden waar het terechtkomt in een natuurlijk reservoir, waar de planten hun vocht vandaan halen. Veel dieren leven onder de grond en komen ’s avonds en ’s nachts pas tevoorschijn. En dan denk ik aan de pioniers die met huifkarren door Death Valley trokken, met een aantal vaten water, voor zichzelf en hun dieren. Een expeditie die hier verdwaalde heeft hier een vreselijke dood gevonden. Het was een van die pioniersvrouwen die zich omdraaide toen ze het eind van de vallei hadden bereikten riep: ‘Vaarwel vallei des doods!’ Waarmee de naam was geboren. We besloten vroeg te stoppen, toen bleek dat bij Stovepipe Wells deze keer nog wel plek was op de camping. In Beatty hadden we amper internet en hier kon ik inloggen in het business center, maar om nu te zeggen dat het werkbaar of snel was, niet echt. We aten wat in het restaurant toen we tot onze verbazing een camper met een Belgisch kenteken aan zagen komen rijden.

Death Valley

Een heel merkwaardig voertuig, dat behoorlijk de aandacht trok. De eigenaar, een meneer uit Brussel, had het via Antwerpen laten verschepen naar Canada en trok hier nu rond. Het water in het zwembad was koud, maar heerlijk om met je benen in te bungelen terwijl de woestijnwind je haar in een windhooskapsel omtoverde. Het water is heel zacht in Amerika, dus crèmespoeling is niet nodig en de wind doet de rest. Het staat en krult alle kanten op, geen wonder dat die Chinese mevrouw zo angstig was. Ze verwachtte waarschijnlijk ook een gevorkte tong en bokkenpoten.

Death Valley

We hebben weer tot veel te laat buiten gezeten, kijkend naar de bergen die het allemaal hebben zien komen. De Indianen, de pioniers, toeristen, i-phones, hamburgers en de wegwerp luier. Ze kijken toe en zwijgen, net zoals ze dat nog steeds zullen doen als de mensheid zichzelf heeft uitgeroeid en de aarde zal bijkomen van duizenden jaren misbruik en vervuiling.

Death Valley

Op weg naar de woestijn

Een beetje noodgedwongen bleven we dus in Overton, wat we helemaal niet erg vonden. ’s Avonds zaten we onverantwoord lang buiten te genieten, bij een lampje dat Henrie had geconstrueerd van een leeg bierflesje, een bekertje en zijn gsm.

Op weg naar de woestijn

De woestijnwind streelde me en fluisterde in mijn oor: ‘Blijf bij me, je houdt van me. Wat moet je in een land met van die wisselende seizoenen? Blijf, ik zal goed voor je zijn.’ En na nog een vluchtige kus in mijn nek, warrelde hij verder naar de verte en ik dacht: ‘Ooit, misschien, maar nu nog niet.’ De camping is kennelijk een sluiproute om van de doorgaande weg, waar de enige bar van het gehucht is, naar de wijk er achter te komen. We zaten in het donker te zwijgen, toen een jonge vrouw over het grindpad liep, of liever zwalkte. Ik dacht nog: die is ook nachtblind, want zo zwalk ik ook in het donker, zelfs in onze eigen achtertuin. Dan zie ik oneffenheden waar ze niet zijn en omgekeerd. Maar deze tante was kennelijk gewoon zat, net als de volgende jongedame een uurtje later. Waarschijnlijk wordt die doorsteek vaker gebruikt, want ineens kwam er een patrouille van de highway patrol ook langsrijden, pliesie dus. Maandag hebben we de camper omgeruild. De helpdesk zei dat we best naar Las Vegas terug konden gaan, ze zouden ze inlichten dat we zouden komen. Bij aankomst werd ons verteld dat de beste oplossing was om ons een andere camper mee te geven, die hadden ze al klaar gezet. Een net zo’n gloednieuw model als waar we mee waren vertrokken met nog minder mijlen op de teller. Hier even een paar foto’s, deze is dus dezelfde als die we net hebben ingeleverd.

Op weg naar de woestijn
Slaapkamer
Op weg naar de woestijn
Badkamer
Op weg naar de woestijn
Zitgedeelt
Op weg naar de woestijn
Keuken

Toen we de camper zaterdag ophaalden, had ik om extra kussens en handdoeken gevraagd. Nu waren er drie keer zoveel kussens en een enorme stapel handdoeken en beddengoed. Ter compensatie denk ik, want ze zaten er duidelijk mee in hun maag dat we problemen hadden. Alles van de ene in de andere camper gedaan en hop, we waren op weg. Makkelijker gezegd dan gedaan, want Las Vegas op maandagmiddag is een ware heksenketel. De ene file na de andere en verkeershufters die overal tussendoor dringen met hun wrakken, met brullende uitlaat en zijramen die als een puzzel met tape bij elkaar geplakt zijn. Met zo’n camper rem je niet even makkelijk om iemand te ontwijken, dus je moet overal ogen hebben en constant in je spiegels turen en natuurlijk de weg voor je in de gaten houden, die vaak vierbaans is.

Op weg naar de woestijn

We gingen op weg naar Pahrump, een stadje met een camping waar we al eerder hebben gestaan. 10 jaar geleden met vrienden die in dezelfde tijd hier waren en een paar jaar geleden waren we hier weer. Een mooie camping met zwembad en jacuzzi en verder doodstil. Maar hij ligt ook op de route naar Death Valley, waar we naar toe gaan. Onderweg zagen we diverse waarschuwingsborden om rekening te houden met wilde paarden en burro’s (een ezelsoort), wat een extra dimensie een de rit gaf.

Op weg naar de woestijn

We deden nog een Walmart aan voor wat luttele boodschappen en de lol om er weer rond te lopen, want daar kunnen we geen genoeg van krijgen. We zagen er diverse soorten Belgisch bier, die we thuis zelden of nooit ergens zien. Pahrump is heel erg uitgestrekt en overal zie je wijken liggen, alsof ze uit zijn gestrooid, enorme einden uit elkaar. De camping was stil, wel wat vrolijke senioren met senior hondjes waar je ze regelmatig mee ziet wandelen.

Op weg naar de woestijn
De camping

Bij het zwembad was niemand, want het was ‘slechts’ 25 graden, wat hier koel is. Het water was lekker en het water van de jacuzzi ronduit warm. Zodra je er in stapte kreeg je het idee van: nog een paar bouillonblokjes en wat groente en je trekt een geweldige soep. Ik moest er na een poosje echt uitgaan, omdat ik het gevoel had dat mijn vlees van mijn botten los kwam, net zoals je wel bij soepkip ziet als je die na een poos uit het kokende water haalt.

Op weg naar de woestijn

Henrie bleef zoet van het zwembad naar de jacuzzi en andersom gaan en ik had er geen kind aan. Toen hij weer eens in de jacuzzi zat, wilde een meneer er ook in. Maar mannen doen dat kennelijk niet zomaar en hij bleef wachten tot Henrie er uit was. Vrouwen stappen gewoon bij elkaar in zo’n ding, al kennen ze elkaar niet, en binnen een kwartier weet je waar ze vandaan komen, wat ze gaan eten en verder alles over de merkwaardige seksuele trekjes van hun echtgenoot en de rariteiten van hun vriendinnen. Mannen zijn blijkbaar bang om voor ‘gay’ aangezien te worden als ze zomaar bij een man gaan zitten.

Op weg naar de woestijn

De woestijnwind maakte het kil als je in je natte spulletje het water uitkwam, maar je was ook zo droog. Gisteren regende en onweerde het een poos en in de woestijn merk je dat meteen, die ziet er dan uit alsof er een bloemetjesbom is ontploft. Je ziet hier opvallend veel vlinders en soms lijken er grote insecten rond te vliegen, maar als je goed kijkt zie je dat het kolibri’s zijn. De sterrenhemel is ongelooflijk, net een groot vel zwart papier waar met een speld ontelbare gaatjes in zijn gemaakt en die je dan voor een lampje houdt. Het ‘steelpannetje’ staat ondersteboven en ‘Schorpioen’ is perfect te zien. Morgen gaat het richting de 40 graden, maar mijn tijdelijke minnaar, de woestijnwind, zal zorgen dat het dragelijk is. Waar we voor de volgende overnachting zullen zijn? Geen idee, Stovepipe Wells, Shoshone? We zien wel. Maar hoe stiller, hoe beter…

He he, we zijn er…

Het deed pijn toen de wekker om 03:45 ging. Je gaat douchen, bekijkt daarna je witte gezicht in de spiegel en je voelt dat je lijf schreeuwt om slaap. De afgelopen weken waren meer dan vreselijk druk en eigenlijk was nergens tijd voor, maar alles moest wel worden gedaan. Interviews plus uitwerken plus foto’s plus inplannen. En op het moment dat ik zei: ‘vanaf nu niet meer’ kwamen er weer. Daarna allerlei persberichten en de lege koffer gaapte me maar aan. De tuin keek gekweld door de droogte en de katten hadden alles achterdochtig bekeken. Toen was de grote dag daar en die verdraaide wekker ging dus om 03:45 af, terwijl we pas om middernacht in bed konden storten. We vertrokken zeker 3 kwartier te laat, onze harige vriendjes wilden niet spinnen toen we ze kroelden en keken verdrietig. Wie zegt dat dieren niks doorhebben?

De straat was nog donker, maar de vogels waren al op en zongen ons toe. Er waren geen files en we waren nog redelijk op tijd bij de Park & Fly, ook de vlucht leverde geen problemen op. Maar goed, we hadden dan ook voor KLM gekozen en niet voor de hartkwalen veroorzakende United Airlines. Daar droom ik wel eens van als ik te vet heb gegeten of te veel gedronken. Toen we zaten te wachten tot het onze tijd was om aan boord te gaan, voerde een mevrouw naast me het ene telefoongesprek na het andere in een heel onduidelijke brabbeltaal. Ze klonk een beetje als een rommelende maag van iemand die honger heeft. Dat is allemaal niet erg, maar haar adem was hopeloos. Zoiets als een kelder die jarenlang dicht is geweest en waar een grote partij overjarige mottenbalen opgeslagen ligt. Als ik zo rook ging ik naar de dokter, die me dan waarschijnlijk zou vertellen dat ik al drie jaar dood ben.

He he, we zijn er

Door de douane gaan in Minneapolis, koffers ophalen en weer inleveren en weer door security duurde vijf kwartier. Ik ben blij dat ik altijd zorg dat er minstens drie uur tussen de vluchten zit. Van wachten krijg je honger, net als van heel lang op zijn. Een broodje op de luchthaven kostte al gauw een ‘schamele’ $11,-. Nou, dan eet ik mijn portemonnee zo wel leeg. Na nog een uitmergelende vlucht van drie uur, in een vliegtuig dat gebouwd leek te zijn voor Liliputters die te klein zijn voor hun leeftijd, kwamen we aan in warm Las Vegas, 36 graden.

Je wordt zelf op het vliegveld al meteen overspoeld met gokautomaten en enorme schermen die van alles aankondigen, zoals optredens van de wereldberoemde Cirque du Soleil. Zoals een mega optreden over Michael Jackson. Geen getrut over negeren op de radio, een standbeeld verwijderen of ander gezever. Aangekomen in ons casinohotel Gold Coast, hebben we luchtiger kleding aangedaan en ons op een buffetje gestort. Aan de gang naar onze kamer leek geen einde te komen, soit, dat zijn we gewend, maar als je al een beetje op apegapen ligt van moeheid word je een beetje moedeloos.

He he, we zijn er

In zo’n casino, ongeacht welk, moet je altijd door het gokgedeelte, waar mensen hun geld voor de hypotheek en de boodschappen vergokken, in de hoop een fortuin te winnen. Maar er is er maar één die wint… Er wordt oorverdovend veel gerookt in die casino’s, ook van die enorme, dikke sigaren. Overal in Amerika ben je zo’n beetje een paria als je rookt, maar hier mag het. Als je je dollars maar meeneemt en in het casino achterlaat. Terug in onze kamer nam ik een douche waarbij het vuil van een paar continenten en vliegtuigen door het afvoerputje wegspoelde. Nu typ ik nu het eerste deel van dit blog. Het is hier 9 uur ’s avonds, Belgische/Nederlandse tijd 6 uur ’s morgens. Al 26 uur op dus. Henrie is al op een andere planeet en ik reis hem zo na. Morgen weer om 6 uur op, om om 8 uur de camper te halen, Las Vegas achter ons te laten en de stilte van de woestijn op te zoeken…

He he, we zijn er...

Zaterdag waren we zelfs te vroeg bij RoadBear, waar ze dat geen enkel probleem vonden. We kregen weer leuke cadeautjes mee, zoals een six pack bier en vier kleine flesjes wijn, een prachtige koeltas en nog wat dingetjes. Trouwe klanten worden hier echt beloond. We kregen zoals altijd een gloednieuwe camper mee, met slechts 3.000 mijl op de teller, maar dat zegt ook niet altijd alles blijkt… We deden uitgebreid boodschappen bij de Walmart, waar ik me meteen kon ergeren aan de eeuwige gemakzucht van de Amerikanen. De parkeerplaatsen bij Walmart en andere zaken zijn altijd gigantisch en overal zijn van die plekken waar je je winkelkarretje achter kan laten. En wat doet het gros? Die laat hem staan waar die uitgeladen is, gewoon, op de parkeerplaats dus. Ik heb al eens gezien hoe er zo’n karretje door harde wind tegen iemands auto aanknalde. Heb je schade? Jammer, maar ik ben toch echt te besodemieterd om dat ding even weg te zetten. Kom op zeg, ik heb net al van de winkel naar mijn auto gelopen, ik blijf niet bezig!

He he, we zijn er

We gingen ons daarna te buiten aan een Chinees buffetje. We lunchten dus om half twee ’s middags, tot die tijd nog niks gegeten en amper gedronken en vooral dat laatste gaat je opbreken. Niet alleen was het 36 graden, de luchtvochtigheid is hier ook heel laag, oftewel: je droogt uit. Bij een lunch in een restaurant drink ik altijd cola light en bij de eerste slokken merkte ik dat ik verrekte van de dorst, ruim een liter heb ik achterover geslagen en onderweg later in de camper nog een liter water. En plassen? Welnee, wel meer vocht willen. We vertrokken en verruilden binnen een half uur de chaos van Las Vegas voor de leegte van de woestijn.

He he, we zijn er

He he, we zijn er

Het besturen van zo’n bakbeest van 10 meter ben ik nog steeds niet verleerd, gelukkig maar. De camping in Overton was voller dan andere jaren, maar je ziet amper iemand. Mensen zijn te druk met t.v. kijken, het is dus doodstil net zoals altijd. De receptie was zoals altijd ook onbemand, $20,- in zo’n envelopje doen die aan de deur hangen, plek voor die nacht, naam plus datum invullen, klaar.

He he, we zijn er...

Voor het gemak heb ik even een foto van vorig jaar gebruikt, de camper ziet er hetzelfde uit. Henrie ook trouwens.
En toen kwam het. Op de camping bleek de koel- vriezer het niet meer te doen en dat is meer dan waardeloos bij deze temperaturen en na het ding net volgepropt te hebben. Wij zijn de tweede huurders van deze camper, dus duidelijk nog een kinderziekte. Noodnummer van RoadBear gebeld, maar ja, zaterdag eind van de middag, die toveren ook geen garage uit hun mouw op dat tijdstip. Schuin aan de overkant van de camping zit een Family Dollar, beetje te vergelijken met de Action, en daar hebben we twee zakken ijs gehaald, tien kilo dus en die in de vriezer en de koelkast gedaan. Morgen, maandag, moeten we meteen om acht uur bellen. Gelukkig waren we al vagelijk van plan een dagje extra hier te blijven, maar dat zal nu wel moeten. Want stel dat ze zeggen: je moet een andere camper hebben, dan zouden we alleen maar verder van Las Vegas vandaan zitten in plaats van het uur rijden nu. Ik zal me vanmiddag troosten met een French Dip, want het eethuisje The Inside Scoop is nog steeds aanwezig tot onze grote vreugde. Trouwens, een French Dip is een warm broodje met een berg rosbief, daar krijg je een bakje vleessaus bij waar je het broodje in doopt, met frietjes natuurlijk. Henrie wist ondertussen de koel-/vriezer rechtstreeks op 220 aan te sluiten, zodat het spulletje werkt zolang we hier staan en aangesloten zijn op elektriciteit. Nu is hij aan het darten met de buurman. Die woont hier al een jaar of vijf in zijn trailer en heeft buiten een dartboard hangen, met aan de ene kant gewoon darten en aan de andere kant iets voor mij onduidelijks. Boys will be boys.
Veel avonturen hebben we nog niet te melden, maar wordt ongetwijfeld vervolgd…

De laatste dagen….

Langzamerhand gingen we op weg naar Las Vegas, van waar we donderdag terugvliegen. Helaas moeten we laatste nacht daar doorbrengen, we zitten liever in de woestijn. We reden door het lege land, om mijlen en mijlen zonder huis, laat staan een nederzetting, tegen te komen. Door die kennelijk zo dorre en doodse woestijn, die toch zo bruist van leven. De saguaro’s die hier al stonden voordat wij geboren waren, leken ons te wenken met hun prikkelige armen: ‘Ga toch niet weg. Je houdt van de woestijn, blijf bij ons!’

Iets wat ik maar al te graag zou doen. We aten in een stadje bij Al’s Pizza. Het stadje stond half leeg, veel nering was gesloten en een meneer die we iets vroegen, vroeg meteen om geld. Ik gaf een gemompelde versie van niks contant te hebben en reed door. Zo triest dat je zo ver moet zakken, dat je om geld moet vragen. En zijn ouders waren zo blij toen hij geboren werd. Al’s Pizza was een enorme tent met bar erbij. Twee mannen zaten aan de toog te drinken en keken star naar de diverse televisies die er hingen. Net als de mensen die er zaten te eten. Na ons kwam een groepje van zes mensen binnen en de tv bij hun tafel werd meteen aangezet.

Zwijgend hebben ze zitten kauwen, starend naar de bewegende beelden. Aan een andere tafel zat vijf mensen te praten en hun bulderende lach vulde oorverdovend de ruimte. Heerlijk. Mensen die in gesprek waren, die enorme lol hadden en niet constant met zo’n pesttelefoon in hun handen zaten om elke nanoseconde op het schermpje te kijken. Wat een opluchting en je werd er zelf helemaal vrolijk van. Voor hen geen tv, ze hadden genoeg aan elkaars gezelschap.

De camping van die nacht was in Big River in Californie, een camping pal aan de Colorado rivier. Jaren geleden zijn we hier ook geweest en hebben genoten. Net als toen heb ik er een poos op een pontonnetje gezeten.

Toen het donker was, gingen we, net als alle andere avonden, lekker buiten zitten genieten.

Om tien uur kwam de camp host in haar golfkarretje langs om alles te controleren. Een aardige, spontane vrouw die we ook al hadden gesproken toen we hier aankwamen. Ze bleef babbelen en ik bood haar wat te drinken aan. Nou, dat wilde ze wel! Ze ging even haar huis afsluiten en de hond binnenzetten. Ik zei: ‘Neem hem toch mee!’ Even later kwam ze terug met hondje Foxy. Een schatje van zeven jaar oud dat ze twee jaar geleden uit een asiel had gehaald. Die was van een oude mevrouw geweest die overleed en het hondje was zo’n beetje bij het vuil gezet. Hij zat in de kennel in een hoekje te bibberen, doodsbang van de andere honden. En nu woont hij bij haar en ze zijn duidelijk heel gelukkig samen.

Ze haalde een vouwstoeltje uit het karretje, ging zitten en begon te praten. En te praten. En te praten. Soms stelde ze een vraag en als je dan antwoordde, onderbrak ze je om verder te praten. Foxy wilde meteen bij mij op schoot en is daar de rest van de tijd gebleven, tot haar baasje om twee uur (!)’s nachts in haar karretje sprong en wij sufgel*ld naar bed mochten. Maar het was een aardig mens, zonder meer, die op haar veertigste al met pensioen was, nadat ze ruim twintig jaar in het leger had gediend.

De volgende dag kwamen we onderweg langs een Family Dollar waar ik even iets wilde halen. Henrie zag een leuk t-shirt en toen we afrekenden wilde die meneer de kleerhanger in het tasje doen. Maar om nou kleerhangers uit Amerika mee te gaan nemen zag ik niet zitten. Dus zei ik dat we die niet hoefden. Tot mijn werkelijk stomme verbazing werd het ding in de vuilbak gegooid! Ik vroeg verbijsterd of ze ze niet voor andere kleding gebruikten. Nee, dat werd weggegooid. Echt, de ecologische voetafdruk van dit land is bizar groot, tot in het belachelijke.

Onze laatste camping van deze reis is, zoals vaker, Crossroads RV aan de route 66. Vlakbij de Colorado River die de natuurlijke grens is tussen Arizona, waar we nu zijn, en Nevada. Zo luxe en groen het aan de overkant is bij al die casino’s is, zo dor is het hier. Doodstil met ’s nachts enorme vleermuizen die rond de enkele verlichting fladderen. De enorme cactus stond er nog steeds en ’s nachts gaan al die enorme knoppen open en komen handgrote, witte bloemen tevoorschijn die geen geur hebben.

In deze cactus en die van een paar meter verder, hadden Cactus Wrens zoals altijd hun nest.

Het was warmer dan de afgelopen tijd en de zon was verzengend. De airco kon het amper bijbenen, dan is zo’n luifel toch wel fijn.

Zes mijl verderop ligt Oatman. Een historisch mijnstadje, natuurlijk zo commercieel als de pest, maar toch leuk. Vooral vanwege de bekende burro’s (een ezelsoort) die er heel de dag rondschuimen. We kwamen er aan en op de parkeerplaats stond een pickup truck te loeien met niemand er in. Die was leuk het stadje in gegaan en liet de motor draaien. Fuck de omgeving en het milieu, je denkt toch niet dat ik in een hete auto ga stappen? Over asociaal gesproken!

Oatman was leuk, zoals altijd. Overal die burro’s, waarvan alle vrouwtjes drachtig waren.


De oude winkeltjes met hun goedbedoelde rotzooi en waar soms echt heel leuke dingen bijzitten, de sfeer, alles. Die burro’s kunnen echt razend brutaal zijn en als ze ruiken dat je burrovoer hebt (kun je in elk winkeltje kopen), komen ze gewoon achter je aan. Ik had geen voer, dus ik was veilig. Ik ging ergens in de schaduw (het was bloedheet, ik schat tegen de veertig graden) op een bankje zitten en zag een burro in de deuropening van het zaakje naast me staan. De meneer probeerde hem eerst weg te sturen met een speelgoedhondje dat blafte als er iets bewoog. Maar daar trok hij zich niks van aan. Toen kwam de plantenspuit en dat maakte meer indruk.

De meneer zei tegen me: ‘Hij is de enige met wie ik problemen heb. Als je per ongeluk even niet voor in de winkel bent, dan loopt hij naar achter naar het kantoor van de baas. Daar zoekt hij naar eten. Laatst vond hij een zakje chips, dat heeft hij aan stukken gescheurd om het op te eten. En vorige week betrapte ik hem er op dat hij een zak voer te pakken had en het op zijn gemak stond op te eten. Hij liet me een foto zien, die hij op mijn verzoek aan me doorstuurde. Wij hebben zulke katten…

Het viel me daarna op dat in heel wat winkeltjes een plantenspuit was. De mensen in Oatman zijn gek op hun burro’s, maar weten ook: als er van voren iets ingaat, komt er van achteren iets uit. Je wordt ook dringend verzocht ze niet vlak voor de winkeltjes te voeren. Een heel redelijk verzoek lijkt me.

De laatste avond brak aan. We pakten zoveel mogelijk in en gingen buiten zitten, om nog een laatste keer van die doodstille woestijn te genieten. De tv is niet één keer aangeweest deze weken, maar voor de foto hebben we hem even omhoog gehaald.

De spullen en etenswaren die we over hadden, hebben we de volgende ochtend aan de meneer met zes tanden gegeven, die ons de dag ervoor verwelkomd had, omdat het kantoor al gesloten was. Hij was er superblij mee, het was een soort kerstpakket voor hem denk ik. Na bijna vier weken voornamelijk in uitgestrekte en lege gebieden te hebben rondgedoold, was de heksenketel van Las Vegas behoorlijk wennen.


We hebben gegeten in hotel/casino Rio, dat naast ons hotel/casino Gold Coast ligt en waar ze een grandioos en mega-uitgebreid buffet hebben.


In ons eigen hotel zat trouwens een Chinees restaurant, waarvan de naam rechtstreeks uit de Donald Duck leek te komen. Moet een briljante geest zijn geweest die dat heeft verzonnen, waarschijnlijk na een krat bier genuttigd te hebben en toen maar wat heeft gedaan om er vanaf te zijn.

We kwamen vanuit een andere hoek het casino binnen toen we terugkwamen en dan is het echt even zoeken. Want je kunt je heel moeilijk oriënteren: overal gokmachines, pokertafels, geen ramen en die casino’s zijn kolossaal.


En foto’s nemen moet je heel stiekem doen, want je hebt meteen beveiliging op je nek, omdat dat verboden is. Maar waar je ook naar toe gaat, je moet altijd door het casino. De gangen in het hotel boven zijn eindeloos lang en eigenlijk griezelig. Althans, ik vind ze griezelig. Al die kamers en je bent constant voorbereid dat er ineens iemand achter je loopt, dood of levend.

Morgen begint de uitmergelende reis naar huis. En ook al zal het heerlijk zijn om weer thuis te zijn, bij vier harige vriendjes die dolblij zullen zijn dat we terug zijn, je eigen bed, je eigen badkamer, het verlangen zal blijven. Het verlangen en de heimwee naar dit prachtige continent, waar we weer zoveel leuke en aparte mensen hebben ontmoet en weer prachtige dingen hebben gezien. We hebben het al vagelijk over de volgende keer gehad. Maar daar zullen we nog even op moeten wachten…

Old Tucson

We zijn al vaker in dit gebied geweest, maar nooit hadden we iets gehoord over Old Tucson. Old Tucson heeft niets te maken met de grote stad Tucson, het is een filmset waar in het verleden heel wat westerns zijn opgenomen en waar ook heel wat filmsterren hebben rondgelopen.

Speurneus Henrie vond het op internet, dus dan ga je daar naar toe. Het zag er heel charmant uit, met veel zogenaamd oude gebouwen, al waren er ook daadwerkelijk echt oude gebouwen bij.


Soms was heel goed te zien dat iets een decor was geweest.

Je kon er paardrijden, een tochtje per koets maken en er waren shows.

Wij namen om te beginnen de rondleiding met een gids, die duidelijk heel erg op de hoogte was van de films die hier waren gemaakt. Ook de slechte en dat maakte ze heel luid en duidelijk kenbaar. Een front dat in heel veel films gebruikt is, is deze:

Ook zijn er nogal wat films opgenomen, waarbij er niet in de gaten werd gehouden dat er over de bergen op de achtergrond auto’s kwamen rijden. Die daar dus duidelijk niet thuis hoorden. Het kerkje detoneerde niet en er was zelfs een begraafplaats. Onze gids verzekerde me dat daar niemand begraven lag. O, echt niet?


Op de hoofdstraat was één van de acteurs bezig een zweep te laten knallen en het knalde behoorlijk, het deed pijn aan je oren!

Er werd een gunfight opgevoerd. We waren voorbereid op zoiets als in Oatman, dat zo blaartrekkend flauw is dat je er spontaan jeuk van over je hele lijf krijgt. Ook al worden de inkomsten hiervan integraal aan een goed doel gegeven. Deze show had gewoon een behoorlijk niveau en de trappen in gezichten die werden uitgedeeld, kwamen pijnlijk over.

We gingen verder naar de camping voor die nacht die Henrie had uitgezocht. We liepen naar de receptie, die natuurlijk gesloten was, en herkenden het van een vorige keer. Zelfs de cactus met zeer suggestieve vorm stond er nog. Maar was in die jaren niet veel gegroeid. Er was kennelijk niets opwindends gebeurd…

Henrie sloot boel aan en liep te dicht langs een cactus. Die had stekels bedekt met weerhaakjes, dus de stekel die in zijn vinger eindigde was amper te verwijderen. Een bewoner van de camping stelde al voor naar de spoed van het dichtstbijzijnde ziekenhuis te gaan, maar Henrie mompelde: ‘Bekijk het maar.’ Het duurde niet lang of hij had het kreng eruit, was ik verbaasd? Het was heerlijk buiten zitten. Konijntjes kwamen verbaasd kijken en diverse gezinnen kwartels namen zandbaden.


Vandaag reden we door een gebied met saguaro’s, die enorme cactussen die je ook in de Lucky Luke ziet.


De meeste exemplaren zijn minstens twee tot drie keer zou oud als wij, wat een heel raar idee is. Sommige zijn zo gehavend dat je hun ‘geraamte’ ziet, wat een beetje eng overkomt.

De camping van vanavond, in Gila Bend, is ook weer zo goed als uitgestorven. Bij de receptie word je heel dringend gewaarschuwd voor schorpioenen en slangen. Wat als het donker is niet uitnodigt om buiten te gaan zitten. Toen ik vanmorgen de dollarbiljetten sorteerde, ze lijken allemaal op elkaar, zaten er drie bij waarop gestempeld stond: ‘Build the wall’, duidelijk mikkend op de muur die Trump tussen Mexico en Amerika wil bouwen.

Wel op kosten van Mexico natuurlijk. De man van de receptie hier werd helemaal enthousiast toen hij ze zag en wilde er met alle geweld eentje omruilen tegen een ‘normale’ dollar. Nou ja, als je daar iemand zo’n lol mee doet… Maar de andere twee gaan mee naar huis. Er zullen genoeg van die biljetten in omloop zijn, maar om ze toevallig in handen te krijgen is natuurlijk ook uniek.
De zonsondergang was geweldig, zoals altijd in de woestijn. En de bewoners van de weinige campers zaten binnen, tv te kijken. Dat is kennelijk mooier…

Historisch, historischer

We waren onderweg naar Huachuca City waar we de nieuwe module voor het warme water op zouden halen. Natuurlijk volgden we ook nu geen snelwegen en toen we langs een piepklein stadje kwamen, zag ik uit mijn ooghoeken in de gauwigheid iets historisch. Bij de volgende afslag zijn we eraf gegaan en was dat even de moeite waard!

Het stadje heet Lowell en was een mijnstadje waar koper werd gevonden. De afgravingen waren nog heel erg aanwezig, terwijl de mijn sinds 1975 niet meer in gebruik is. Langs de weg waren oldtimers geparkeerd en overal werd moeite gedaan de sfeer van jaren geleden terug te halen. Een mevrouw sprak me aan en vroeg me of ik hier woonde. Ik zei dat ik niet eens op dit continent woonde.

Deze mevrouw, LaVerne Williams, was blij met haar nieuwe gesprekspartner en vertelde honderduit en het was geweldig. Deze jeugdig uitziende vrouw wordt in juli 96(!). Ze is hier met haar ouders komen wonen toen ze drieënhalf was. Haar vader had tbc en ze woonden in Oklahoma. De artsen hadden hem gezegd: ‘Verhuis naar Phoenix, met dat klimaat heb je misschien nog drie jaar te leven.’ Hij bouwde een T-ford om met matrassen om de tocht te maken, een soort vroege camper zal ik maar zeggen. Maar hij kwam bij Lowell niet over de berg en dus besloten ze daar te blijven. Haar vader heeft nog 31 jaar geleefd. Zelf was ze heel actief in haar stadje en was drie termijnen burgemeester. Nu zette ze zich vooral in om alles een beetje in de oude staat terug te brengen en was ze benoemd tot ambassadeur van Lowell.

Ze reed rond in een grote auto, met een kussen op de stoel, omdat ze anders niet over het dashboard kon kijken. Ze gaf me haar emailadres en ik heb haar beloofd de foto’s te sturen die ik van haar gemaakt had. Geweldig, daar word je toch helemaal blij van?

Verder gingen we. We haalden het onderdeel op, Henrie plaatste het zelf en het zat binnen tien minuten. Ons doel van die dag was Tombstone, waar we al vaker zijn geweest. Een, natuurlijk gecommercialiseerd, stadje dat toch erg charmant is. De camping lag tegen het centrum aan en we gingen een rondje maken. Omdat het al een uur of zes was, was alles al gesloten en doodstil.


Tombstone-Laureen-Big-Nose-Kates-Saloon

We dronken een biertje, mijn eerste pintje sinds deze vakantie, in Big Nose Kate’s Saloon.


Daarna schoven we een deurtje op naar een andere saloon waar vooral de plaatselijke bewoners komen. De mevrouw achter de toog, Eileen, was een grote dierenliefhebber en woonde met haar 45 honden, muilezels en paarden een uur rijden verderop op een ranch in een canyon. Ze had 45 jaar bij General Motors gewerkt, wilde hier nog een paar jaar werken om dan, met al haar dieren, te verkassen naar Florida. Daar woont haar dochter met haar gezin. Ze vond de enorme privacy van haar huis en land geweldig, maar verder niet. Ze zei dat mensen vaak overwogen in de regio van Tombstone te gaan wonen en dat ze iedereen altijd adviseerde alles goed te onderzoeken. Over het algemeen wordt gedacht dat het daar altijd warm en droog is. Maar vanaf juli begint de regentijd en niet zomaar regen, maar muren van regen. Dat duurt tot half september, plus de enorme wind. Die zo sterk is dat je amper vooruit kan komen.

Ze vertelde dat de bars in Tombstone niet voor negen uur ’s avonds mogen sluiten en dat iedereen om half twee ’s nachts weg moest zijn. De naam Tombstone (grafsteen) komt trouwens van een man die zei dat hij hier zijn fortuin ging zoeken. Toen was hier nog niks. Zijn vrienden zeiden: ‘Je zult daar alleen je grafsteen vinden!’ Maar het duurde niet lang voor hij zilver vond en de grond liet registreren en gaf het de naam Tombstone. Eigenlijk als grap bedoeld.


Buiten Tombstone ligt de begraafplaats Boothill. In de 19de eeuw was het zo dat als er zogeheten ‘revolverhelden’ ergens woonden, de begraafplaats automatisch de naam Boothill kreeg. Omdat mensen stierven met hun laarzen aan, doodgeschoten door ordinaire moordenaars. Op heel wat houten gedenktekens bij de graven kon je lezen hoe ze waren gestorven en dat was inderdaad nogal eens door geweld.


Opvallend was ook dat het graf van een meisje dat aan rode hond was overleden op de leeftijd van drie maanden oud heel veel geld lag. Sowieso lag er op veel graven geld, maar bij dit kindgraf was het echt bizar.

De gewoonte geld achter te laten is op dit kerkhof een jaar of vier geleden begonnen en om de zoveel tijd wordt het verwijderd en gaat het naar een goed doel. Maar al snel ligt het weer vol.
Zoals gezegd lag de camping tegen het centrum aan, maar de teringherrie die je hier van verkeer hebt is ongelooflijk. Niet gewoon verkeersgeluid, maar die manier om in voertuigen te rijden die bergen lawaai maken. Alsof iedereen zonder uitlaat rijdt. Zo modern als ze hier op sommige vlakken zijn, zo achterlijk zijn ze op andere gebieden.

We reden verder door uitgedroogd Arizona en onze camping van vannacht was leeg, heel erg leeg. Er stonden campers, maar die zijn van een beurs. Zelfs hier, een behoorlijk eind van de weg, hoorden we een wagen met belachelijk veel geloei rondscheuren. Misschien zijn alle mensen hier gewoon fabrieksdoof, veroorzaakt door verkeerslawaai en valt het ze niet meer op….

Van hot naar her

We vertrokken van die heerlijke camping met de grote vleermuizen. Voor wat verse spullen deden we nog even de WalMart aan. Ik overwoog de apotheker nog even om de gelpleisters te vragen, maar heb het maar zo gelaten. Niet alleen had ik geen zin in opnieuw een schreeuwende apotheker, maar ik herinnerde me ook ineens huiverend een andere die ik iets vroeg tegen de hoest. Bij ons heb je misschien zes producten tegen de hoest, hier al gauw een veelvoud daarvan. Ik wilde een medicijn waar je niet suf van werd. De apotheker bleef me tijdens mijn vraag en zijn uitleg zo strak aankijken, dat ik dacht dat hij twee glazen ogen had.

Omdat we zo min mogelijk de snelwegen berijden, kom je dingen tegen die je nog niet eerder zag. Zoals de City of Rocks. Stel je een vulkaanuitbarsting voor, in de Chihuahuan woestijn in zuid/west New Mexico, een slordige 34,9 miljoen jaar geleden. In al die jaren is er van alles weg geërodeerd, waarna deze enorme rotsen overbleven.


Zomaar, in een groot, leeg landschap vind je deze enorme rotsen. Alsof een reus ze achteloos had neergesmeten. Hier en daar zag je afgebrokkelde stukken rots die naar beneden waren komen zetten, wat een extra dimensie gaf aan de wandeling.

Het was heet en droog. We zagen een mooie picknickplek onder de bomen en besloten daar wat te eten. Er stonden twee auto’s geparkeerd, eentje met draaiende motor. We hebben er twintig minuten gezeten, twintig minuten heeft die motor staan draaien. De mensen waren even wat gaan bezichtigen en dachten kennelijk:’Fuck you, ik ga toch echt niet bij terugkomst in een hete auto stappen. Laat draaien die hap, het heen en weer voor het milieu en de rust van andere mensen! Bizar. De ecologische voetafdruk van veel Amerikanen is gewoon belachelijk groot. Het interesseert ze gewoon geen ene hol. IK wil dat DUS doe ik dat. Net zoals je bij supermarkten auto’s met draaiende motor ziet staan, zodat ze na het boodschappen doen in een koele auto kunnen stappen.

We hadden de laatste plek op een camping bij Silver City. Net buiten de stad, prachtig gelegen en doodstil. Immers, iedereen kijkt tv en verlustigt zich liever aan kunstmatige beelden dan aan de prachtige, maar gortdroge, omgeving. Het had hier al in geen 45 dagen geregend en dat zag je aan de beplanting. We hebben daarom maar de kamperfoelie en anderen planten water gegeven en het resultaat zag je al snel. Ook de vogels wisten al snel het water te vinden dat we hadden neergezet. ’s Morgens zat er een jong konijntje alles met verbazing te kijken.

Toen ik uit de (prachtige) doucheruimte kwam, lag er een rode kater op de veranda. Die moest en zou geaaid worden, wilde dat ik op het bankje ging zitten en liep daarna mee naar de camper.

Hij kwam binnen en wilde a la onze Billy en Thijsje in mijn armen liggen bij het toetsenbord en constant gekroeld worden.


We moesten verder en zetten uiteindelijk het ventje buiten. Het brak mijn hart toen we wegreden en ik hem in de spiegel zag zitten, terwijl hij ons nakeek. Maar hij was duidelijk van iemand die veel van hem hield, die hem constant kroelde en ervoor had gezorgd dat hij de lieflijkheid zelve was bij mensen en vol vertrouwen. En ik dacht aan de mensen die gewoon hun dier buiten de auto gooien als ze er vanaf willen, als ze bijvoorbeeld op vakantie gaan. Ik snap niet dat die mensen zichzelf nog in de spiegel kunnen bekijken. Eigenlijk zou die spiegel in hun rottige gezicht moeten kapotknallen en zulke littekens achterlaten, dat ze voor altijd te herkennen zijn als minderwaardige dierenbeulen. Is dat niet aardig? Wel, dat soort mensen is nog veel minder aardig en dat is zachtjes uitgedrukt!

We gingen Silver City in. Het was een beetje rampzalig om in het historische centrum te komen, maar het lukte uiteindelijk wel. Het was wel aardig, maar niet overdonderend. Wat historische gebouwen, waarvan een deel leeg stond en een groot deel van de nering was gesloten. Het was leuk om te zien, maar niet om te zeggen: Tjonge, dat was leuk!


We vervolgden onze weg, door groot en leeg New Mexico. Je werd regelmatig gewaarschuwd voor zandstormen met instructies wat je moest doen als je erin verzeild raakte.
We kwamen nog langs een leeg hotel. Kijk, dat zo’n ding wordt leeggehaald, ook al is het niet goed, kan ik me nog voorstellen. Maar gewoon slopen om het slopen, dat ontgaat me. En dat was hier dus gebeurd. Gaten in ramen, terwijl de deur openstond, oude televisies bij het zwembad, kapot gegooide spiegels, van alles. Een soort ‘lang-leve-de-lol’ die ik niet begrijp. Vroeger niet en nu niet. Wat wel opvallend was, dat de bijbels, die hier door de Gideons in alle hotels worden achtergelaten, allemaal puntgaaf waren. Dik onder het stof, maar dat respect was dus wel aanwezig.



Er lagen een berg oude conservenblikken met inhoud. Wat er inzat weet ik niet, ik heb het ook niet onderzocht.

Een piepklein eindje verder was een zaak dat vuurwerk verkocht. Die hadden een wel heel makkelijke manier gevonden om van hun verpakkingsmateriaal af te komen.

Vannacht stonden we op Rusty’s RV Ranch in Rodeo. Als je het over ‘the middle of nowhere’ hebt, dan heb je het over die camping. Er stond haast niemand. Over de doorgaande weg kwam gemiddeld één keer per anderhalf uur een auto. De sterrenhemel was weer zo bespikkeld, dat het zelfs moeilijk was het ons welbekende steelpannetje te zien. Er was van alles aan diersoorten aanwezig. De eigenaar van de camping had twee ruime vijvers aangelegd en er stonden diverse volières onder de bomen. Op al dat water komen natuurlijk allerlei dieren op af en in de vijvers woonden tientallen stierkikkers, die enorme afmetingen kunnen krijgen. Je hoorde hun typerende geluid over en weer gaan. Een skunk (groot stinkdier) kwam ook nog voorbij, gelukkig niet te dichtbij, en natuurlijk de enorme vleermuizen. Maar ook kwam er zo af en toe een kakkerlak voorbij. Dat vind ik dus vieze beesten, maar goed, ook dat zijn woestijnbewoners. We besloten het buitenlicht van de camper uit te doen, om de sterrenhemel nog meer te bewonderen. Na een paar minuten deed Henrie zijn zaklampje even aan, om tot de ontdekking te komen dat er ineens wel heel veel kakkerlakken rondliepen. Gedver, dus in vredesnaam het buitenlicht maar weer aangezet. Zo kien zijn ze niet op licht, dus verdwenen ze gelukkig snel.

We moesten vandaag verder. We hadden nog steeds geen warm water en RoadBear had een zaak gevonden die het onderdeel in voorraad had, onderweg naar Tombstone, onze volgende stop. De camping waar we wilden staan ligt direct tegen het oude centrum aan en voor de zekerheid hadden we die maar besproken. We zaten heel dichtbij de Mexicaanse grens, dus daar moet je dan wel langsrijden. Tussen de twee grenzen was een heel diepe geul die aan de Mexicaanse grens schuin naar benden liep en aan de Amerikaanse kant stijl omhoog en daarna afgezoomd was met prikkeldraad. Overal zag je enorme verlichtingen en camera’s.



We hebben het onderdeel voor de waterverwarming, Henrie heeft het zelf vervangen en nu zijn we in Tombstone. Eén van de historische, en natuurlijk best commerciële, stadjes die we gewoon leuk vinden. Het moge duidelijk zijn dat we genieten, iedere dag opnieuw. Maar we hadden nooit zoveel rust en ontspanning kunnen vinden als onze geweldige vrienden, Liesbeth en Vincent, Noordernieuws niet hadden waargenomen. Bij deze dan ook onze enorme dank! Onze vakantie zou niet zo ontspannen en relaxt zijn geweest zonder jullie. In gedachten geef ik jullie een enorme kroel, al weet ik dat jullie zouden zeggen: ‘He gedsie, hou eens op…”

Billy the Kid en een witte woestijn

Als je zo vaak met een camper hebt rondgetrokken, dan weet je wel hoe dingen werken. De verwarming van de watertank bijvoorbeeld. Die zet je ’s nachts uit en word je ’s morgens wakker, dan zet je die weer aan zodat je kunt douchen. Goed, even deze voor de hand liggende uiteenzetting om bij het volgende te komen. Je zet de knop om, de brander gaat aan, je kruipt nog even in bed en zo’n twintig minuten later is de boel warm. Gaat het kreng dan na vijf minuten uit, dan klopt het dus niet. Nog een paar keer geprobeerd, maar buiten een ontmoedigend plofje gebeurde er niks. Met het beetje lauwe water hebben we net kunnen douchen en na het ontbijt hebben we RoadBear gebeld. Die verwees ons naar een camperreparatiebedrijf in Alomogordo, twee uur rijden verderop. Dat krijg je als je in niet drukbevolkte omgevingen rondzwerft. Maar juist hier waren dingen te zien. Dus ik zei: “We wilden nog naar Lincoln, dus dan doen we dat eerst. Wie weet wanneer we weer in deze omgeving zijn!” Aldus geschiedde.

Lincoln is een piepklein gehuchtje, eigenlijk één straat, dat bekend werd, omdat Billy the Kid, echte naam Henry McCarty, ook wel bekend als William H. Bonney, daar uit het gerechtsgebouw ontsnapte en daarbij twee mensen doodschoot. Omdat er geen gevangenis was, sliep hij onder bewaking in de rechtszaal boven. Op de trap schoot hij iemand dood, kennelijk is het kogelgat nog steeds te zien.

Gerechtsgebouw met kantoor van de sherrif
Gerechtsgebouw met kantoor van de sherrif

De ander schoot bij beneden neer, die meneer Bell wist naar buiten te raken om daar te bezwijken. Een gedenksteen laat zien waar. Apart toch, dat je normaal allang vergeten bent door iedereen en dat nu je naam nog dagelijks bekeken wordt op de plek waar je het loodje legde.

De meeste van ons hebben de foto van Billy the Kid wel eens gezien. Persoonlijk vind ik het een nogal achterlijk persoon om te zien. Maar kennelijk was hij behoorlijk geletterd en sprak bovendien vloeiend Spaans.

Billy the Kid
Billy the Kid

Er was zowaar een oud postkantoortje, dat gewoon in gebruik was. Tijd om de stapel ansichten te versturen die al dagen klaar lag. Ik wilde de postzegels met de credit card betalen, maar dat werd weer hopeloos. Het ding deed het niet goed. Die mevrouw werd steeds wanhopiger, begon in zichzelf te mompelen, wij gingen al weer eens op het andere been staan en smoorden putdiepe zuchten. Ze belde iemand op en ging weer mompelend aan de slag. En niet alleen dat, ze bleef die zegels maar tellen. Op zo’n velletje zaten er tien, ik moest er 23 hebben. Dus: twee velletjes plus drie losse. Hoe vaak ze die tien op die velletjes heeft geteld weet ik niet meer, maar het was vaak. Van die drie losse had ik er al eentje geplakt, maar hield bij haar getob maar op. Uiteindelijk zei ze zwetend dat zij die ene wel zou betalen, dan konden we verder want het ging niet lukken. Onzin natuurlijk, ik betaalde die ene en we vluchtten het gebouwtje uit. Nog steeds in het bezit van die stapel ansichten.

Verder gingen we, want het was vrijdag en die verwarming moest gerepareerd worden. De toegangsweg naar Alomogordo was onderhevig aan wegwerkzaamheden, aan beide kanten van de weg waar ook aan allebei de kanten twee- naar eenbaansweg ging. Natuurlijk lag het bedrijf aan de linkerkant. Dus moet je afslaan en dan is het echt ‘handig’ om in zo’n gevaarte van tien meter te rijden. Je slaat af, maar ondanks de middenberm steekt je kont nog uit. Andere auto’s kunnen er dan amper omheen en de overkant is zo druk, dat je er wel even staat. Het siert de Amerikaanse chauffeurs dan dat niemand ongeduldig deed of ging toeteren. Zelf zit je met gekromde tenen achter het stuur en sist lelijke dingen.

We werden meteen geholpen, alleen dat wat stuk was en vervangen moest worden, hadden ze niet. Deze camper is gloednieuw en RoadBear heeft altijd de nieuwste modellen en dat kan dus ook tegenwerken. Henrie aan het rondbellen, maar kon nergens meer terecht. Vrijdagmiddag nietwaar? We besloten hier een camping te zoeken, we hadden het zelf ook wel gehad, en vonden er eentje buiten de stad: Mountain Meadows RV. Een beeldje, doodstille omgeving, mooi aangelegd en het werd duidelijk gerund door een vrouw. Dat zag je gewoon. Nu was het dus douchen in de algemene badkamer, iets dat ik haat. Henrie besloot met koud water te douchen, ik niet. Zover gaat mijn haat niet. Maar het was beelderig. Grote ruimte, kleedjes, zelfs een haardroger, handdoeken die je mocht gebruiken, potjes handcrème. Ik heb badkamers in hotels gezien die hier niet aan konden tippen. Dat verzacht het leed wel. Een föhn gebruik ik nooit, maar het is hier zo droog dat je haar na die honderd meter lopen al aardig opgedroogd was. Waarom kozen we een camping in deze omgeving? Vanwege White Sands. Een woestijn met wit zand, dat in hoofdzaak uit gypsum bestaat. Gips dus. Het ziet er ijzig uit, omdat het precies sneeuw is.

Maar het was ruim 35 graden, al is dat hier niet zo ellendig als thuis. Dan ga je bij 28 graden al dood. Hier zit je in de zon en het is lekker, door de droogte en de wind die altijd aanwezig is. Je kan ook gewoon op blote voeten door het zand lopen. Op een strand is dat normaal brandend heet, dit is koel. Het witte reflecteert de hitte. Je beklimt met enige moeite zo’n duin, waarbij je tot halverwege je kuiten wegzakt.

Bovenop is het allemaal veel steviger en kun je gewoon lopen. De natuur heeft zich helemaal aangepast aan de omgeving. Hagedissen bijvoorbeeld, zijn door de tijd heen ook wit geworden.

Het was alweer lang geleden dat we hier waren, maar het was nog net zo fascinerend. We gingen terug naar dezelfde camping, om weer van de zonsondergang te genieten en tot laat buiten te zitten. De sterrenhemel was weer verbijsterend mooi met het bekende steelpannetje, maar ook Schorpioen is hier perfect te zien. Soms hoorde je in de verte coyotes janken, gigantische vleermuizen die rondzwermden met een spanwijdte van zeker vijftig centimeter. Er stond maar een handvol campers, duidelijk mensen die hier langer staan, waarschijnlijk voor werk en die zaten allemaal tv te kijken. Dus hadden we al het moois voor onszelf.

Vandaag moesten we weer verder. Henrie had een goed bekend staand bedrijf gezocht om die verwarming te laten repararen, in Deming. Ook weer uren rijden verder, want zo is dat hier nu eenmaal. RoadBear had al gezegd,toen Henrie meldde dat bij dat eerste bedrijf het niet gelukt was: “Je hebt onze toestemming er zelf eentje uit te zoeken.” Zij kennen natuurlijk ook al die bedrijven niet op dit enorme continent. We verlieten Alomogordo en stopten nog bij een Dollar Tree, ook een soort Action waar alles één dollar kost. Het was vandaag moedersdag en overal zag je mensen met bosjes rozen, kon je ballonnen kopen en andere dingen. Een meneer voor ons bij de kassa die eruit zag als een hooligan, was helemaal gelukkig en blij met de ballon die hij net voor zijn moeder had gekocht.

Bij de WalMart ernaast vroeg ik aan de apotheker om gelpleisters, vanwege een bloedblaar op mijn voet, om de druk minder te maken. Ik had er al een stel van huis meegenomen, ik ken mijn voeten en weet wat er op vakantie gebeurt, maar had er nog meer nodig. Natuurlijk kon ik ze niet vinden, in andere zaken de afgelopen dagen ook al niet, en besloot er dan maar om te vragen. Nu weet ik niet wat het hier is met die apothekers (apotheken zitten hier altijd in supermarkten), maar ze brullen altijd hun antwoord in je gezicht. Zodat iedereen mee kan genieten van jouw kwalen. Toen ik hem dus om die pleisters vroeg schreeuwde hij: “Moet je even in dat pad kijken, bij de medicatie tegen voetwratten, voetschimmels, voetgeslachtsziekten, rottend vleesvoeten en andere afschuwelijke kwalen.” Hij zal dat niet gezegd, ik bedoel geschreeuwd, hebben, maar het was weer pijnlijk genoeg. “Alles om te voorkomen dat je voet er afrot en druipend in je schoen blijft zitten, kun je daar vinden.” En ik wilde alleen maar gelpleistertjes…

Ik gaf het op en we gingen naar de kassa. Nu het volgende. Bij de kassa hangt een carrousel met plastic tasjes en al je boodschappen worden in driemiljoen zakjes gestopt. Je moet ook geen haast hebben als je wat wilt afrekenen, want het duurt eeuwen. Van de vijftien kassa’s zijn er altijd maar een paar open en de moed zinkt je in de schoenen, bij die rottende voeten, als je de volgestouwde karren met boodschappen ziet. Goed, eindelijk ben je door die kassa heen en NA die kassa staat dan ineens een rek met boodschappentassen die je gewoon, zoals bij ons, vaak kunt gebruiken. NA de kassa. Is dat even slim en nergens kun je die afrekenen.

Ik heb het voor de gein gevraagd aan de tante waar we net onze boodschappen hadden afgerekend. Ja, je moest ze bij de kassa betalen en ja, je moest dan weer in de rij gaan staan. Moet je dus de WalMart weer in, met je kar betaalde boodschappen. Weer gaan staan wachten om een herbruikbare tas af te rekenen die je had kunnen gebruiken, in plaats van weer een berg plastic aan het milieu toe te voegen. Wij gebruiken die dingen dan nog als vuilzakjes in de camper, maar veel mensen willen kennelijk weten hoe ver de wind die tasjes kan blazen. Want je ziet ze overal, in struiken, bomen, prikkeldraad, op straat, in de woestijn, oftewel: overal. Die lol heb je niet van herbruikbare tassen waar je een paar dollar voor moet betalen als je al door de kassa heen bent. Maar misschien hebben ze die display met tassen daar vijf jaar geleden wel eventjes neergezet, zijn hem vergeten en hebben het maar zo gelaten. Hij stond daar toch goed?

Over ruines en een gered beertje

De Quarai ruines zijn de overblijfselen van een Spaanse missie/nederzetting van de Pueblo Indianen. De Indianen, die Tiwa spraken, migreerden hier al voor 1300 A.D. De bouw van de kerk begon in 1628. Kennelijk woonden de twee godsdiensten van zeer uiteenlopende aard heel vreedzaam samen en Quarai was een heel drukke nederzetting. Tegen1670 werd de bevolking geteisterd door droogte, ziekte en vijandige stammen. In 1677 werd de missie voor de laatste keer gesloten en al wat er over is van deze bruisende nederzetting, zijn resten van muren.


</a

Het is heel apart om er rond te lopen en te weten dat hier honderden en honderden mensen hebben gewoond, geleefd, bemind en gestorven zijn. Buiten stenen is er niks meer te vinden, misschien tot je gaat graven. Maar zolang er geen aanwijzingen zijn dat er iets interessants te vinden is, zal dat niet gebeuren. Er was vrijwel niemand aanwezig, behalve heel gemeen bijtende, vrijwel onzichtbare vliegjes. Die noemen ze: see me not’s (je ziet me nietjes) en iemand zei: ‘Als je die uitvergroot, zie je vooral tanden. Want ze steken niet, ze bijten echt en dat voel je! Natuurlijk aldoor in mijn linker onderbeen, waar de huid nog vreselijk dun is.

Het viel me op, dat, ondanks de vele mensen die hier hebben gewoond, er geen begraafplaatsen zijn. Geen Spaanse en geen Indiaanse. Ik vraag me dan wat was ze met hun doden deden. Het was warm en de wind suisde over het stille landschap. Toen we uitgekeken waren, besloten we te overnachten op dezelfde camping als de nacht er voor. Een rustige camping met vriendelijke mensen en eetgelegenheden op loopafstand. We gingen voor een buffetje bij AT, een eetgelegenheid waar vooral truckers komen. Dan weet je dat het en betaalbaar en goed is. En dat klopte ook. Een serveerster met drie kleuren haar: rood, onbestendig bruin en grijs, slofte op moeie voeten rond. Het eten was eenvoudig maar gewoon goed en alles zelfgemaakt. Wat wil een mens nog meer?

Gisteren hebben we nog twee van die ruines bezocht, Abo en Grand Quivira, die dezelfde geschiedenis hadden als Quarai. Het is ongelooflijk droog en zodra je de camper uitkwam werd je bestormd door vliegen, die op vocht afkwamen. Zoals je ogen en ze vlijden zich gewoon op mijn bril. Zodra je meer in open gebied liep, waaide het te hard en verdwenen ze. Ook bij deze restanten waren geen begraafplaatsen te vinden. Je probeert je iets voor te stellen, iets te voelen van hoe het toen was. Maar er is niks, stenen, echo in de ruimtes met muren, de suizende wind en stilte.

Abo
Abo

Grand Quivira
Grand Quivira

We gingen verder en kwamen nog langs een leeg huis. We mangelden ons tussen prikkeldraad door om te gaan kijken. De hemel weet hoe lang het als leeg stond. Op de foto’s zie je enorme bruine plekken op de vloer: allemaal konijnenkeutels. Als een vaste vloerbedekking lag dat over de hele verdieping. Oude meubels, waar nesten in waren gemaakt of het materiaal dat elders voor nesten was gebruikt. Zelf in de la van een bureau vond je een nest.



Het gebied was uitgestorven. We reden over een weg waar het gras tussen de scheuren van het asfalt doorgroeide en kwamen twee auto’s tegen in ruim een uur tijd. We vonden een camping in Nogal, helemaal leeg tegen een heuvel. De eigenaar zette ons op een plek neer en zei dat er een feestje was die avond en dat we misschien wat zouden horen. Nou, we zagen wel. We waren er rond zes uur, toen verschenen ook wat gasten. In totaal zullen er vijftien zijn geweest. Je hoorde ze praten en lachen en om acht uur was iedereen weg. Niet echt een spetterende fuif zal ik maar zeggen. De camping was doodstil, letterlijk. Je hoorde het suizen in je oren. Buiten een paar lichtjes hier en daar was het ook pikkedonker, want de camping lag niet aan de weg. Sowieso is dit gebied redelijk leeg.

Vandaag was ons eerste doel Fort Stanton. Dit militaire fort werd in 1855 gebouwd en huisvestte door de jaren heen veel officieren, een ziekenhuis voor tbc patiënten, een vrouwengevangenis en nog meer. De gebouwen staan rond een groot grasveld en zijn walgelijk slecht onderhouden. Het onderhoud en de bescherming hiervan lag in handen van een instantie, die er dus geen ruk aan deed. Ze plaatsten zelfs een gebouw dat gewoon belachelijk modern is en zo slecht bij de rest past, dat je de hik krijgt van ellende. In één van de woningen werd een muur doorbroken om een doorgang te creëren, terwijl anderhalve meter verder een deur zat. Allemaal van dat soort ongein, over incompetentie gesproken. Uiteindelijk werden ze van deze taak ontslagen, omdat ze gewoon de boel verziekten. Uit wraak zijn toen nog wat dingen vernield en vandaag de dag wordt er hard gewerkt om de boel weer netjes op poten te krijgen. Onder andere met hulp van een groep vrijwilligers, die hier via een instantie werken die er voor zorgt dat jongeren werkervaring op diverse vlakken krijgen. Je zag ze bezig de verf letterlijk van de muren te pellen. Muren waar jaren en jaren van alles op gesmeerd was en die nu in oorspronkelijke staat hersteld moesten worden. Er was ook een kerkje, ik denk niet in gebruik, maar veelvuldig bezocht en de bezoekers namen allemaal plaats in de kerkbanken. Dat zag je aan de kontafdrukken in het stof.




Een ander doel was Capitan, een piepklein dorp. Iedereen die in Amerika is geweest, kent de afbeeldingen van een beer met een Park Ranger hoed op en een broek aan, die waarschuwt voor bosbranden: Smoky Bear.

In een enorm continent als Amerika zijn nogal eens bosbranden, vaak door blikseminslag. Net zoals de camping waar we verbleven, die is in 2012 helemaal afgebrand. Maar de meeste branden worden door mensen veroorzaakt. Zo ook de bossen bij Capitan, waarschijnlijk veroorzaakt door een achteloos weggegooide sigarettenpeuk. De brandweermannen troffen een berenjong aan, dat in een zwartgeblakerde boom was geklommen. Het weesje van twee maanden oud woog vier pond en was meer dan 50% verbrand.

Smokey kort na de brand
Smokey kort na de brand

Om te beginnen zijn pootjes, die hij verbrandde aan die boom waar hij in was geklommen. Maar zijn moeder had hem geleerd: als er gevaar is, moet je in een boom klimmen. En zo wilde hij ook aan het vuur ontsnappen, weet zo’n kleuter veel? Ze hebben hem meegenomen en meteen naar een dierenziekenhuis in Santa Fe gevlogen Daar werd hij liefdevol door een dierenarts werd verzorgd die hier veel van wist. Het ventje overleefde het en werd uiteindelijk naar de zoo in Washington D.C. gebracht. Miljoenen mensen hebben hem daar door de jaren heen bezocht en over zijn leven gehoord. Beren in het wild worden rond de acht tot tien jaar oud. Smokey, zoals hij werd genoemd, werd 26 en overleed in zijn slaap in 1976. Hij is per vliegtuig naar Albuquerque gebracht, waar ze hem hebben opgehaald. Smokey kwam van deze omgeving en zou daar ook begraven worden. De plek waar hij als kleuter speelde en met zijn moeder rondliep, was te moeilijk te bereiken. Bovendien waren ze bang voor vandalisme van zijn laatste rustplaats. Besloten is toen om hem in Capitan te begraven, wat ook gebeurd is. Er werd zelfs een dienst gehouden. Smokey was en is wereldberoemd en is het boegbeeld voor door mensen veroorzaakte bosbranden.

Het graf van Smokey
Het graf van Smokey

Na zo’n dag ben je moe. Veel gezien, gelopen in de brandende zon. We besloten dezelfde camping als vannacht te nemen. Op de terugweg kwamen we nog door een wijk met dure, mooie huizen. Tussen de woningen stond een hert te grazen, dat ons aankeek met een blik: Ja, en? Had je wat? Ik woon hier, jij komt toevallig voorbij. Doorrijden, en rap! Op de camping was niemand, letterlijk. De deur van het kantoor was niet op slot en er was niemand te zien. Je moest op een bel drukken en kennelijk werd je daardoor verbonden met de gsm van de eigenaar, die ons door een speakertje toesprak. Hij was er niet deze nacht, we moesten maar een plekje zoeken. Omdat de camping wederom leeg was, zijn we bovenop de heuvel gaan staan, waar we weergaloos uitzicht hadden.


We hebben lang buiten gezeten en hebben verbluft naar de hemel zitten kijken toen het donker was. Ongelooflijk zoveel sterren als je hier ziet! Geen strooilicht of vervuiling, helemaal helder en sterrevus donker. Toen het te koud werd (overdag is het hier boven de dertig graden) zijn we naar binnen gegaan. Door de open vlakte is de wind sterk en de camper beweegt. Het is superdonker om ons heen en door het open raam komt de zwoele koelte naar binnen. Ik probeer niet aan zombies te denken die ineens voor het raam kunnen staan. Of een spierwit gezicht met zwarte ogen en een hand met bloederige nagels, die het muskietengaas opzij probeert te schuiven. Een levendige fantasie is ook niet altijd alles…

Santa Fe en Madrid

Uiteindelijk besloten we toch Santa Fe te gaan bezoeken. We zaten er zo dicht in de buurt, we zagen het wel. De nacht op de 55+ camping viel nogal tegen. O, niks met de camping aan de hand, maar wel met de locatie. Pal aan een doorgaande weg die heel de nacht druk was. Kennelijk rijdt half Santa Fe rond zonder uitlaat, want het gebulder was bizar. Dat is trouwens kennelijk toch een nationale sport in Ameika: hoe maak ik zoveel mogelijk lawaai met mijn auto. Zelfs door onze oordopjes heen was het constant te horen. Wat dat betreft is het verkeerslawaai hier ronduit asociaal te noemen en niet alleen in deze stad. Ze rijden rond met brullende motoren en keiharde muziek, terwijl ze hun autoramen open hebben. Zodat iedereen weet dat ze een ontzettend slechte smaak van muziek hebben en heel graag vroeg doof willen zijn. Omdat die hoorapparaatjes ook zo stoer zijn.

In Santa Fe vind je het oudste huis uit de geschiedenis van Amerika: 1621. Daar ga je natuurlijk binnen kijken en de minimale ruimtes geven aan hoe anders het leven toen was.


In één van de kamers stond een doodskist met daarin een replica van het onthoofde lichaam van Juan Espinoza. Onthoofd door twee heksen, nadat hij zich beklaagd had over een liefdesdrankje dat niet goed genoeg werkte. Kennelijk moet deze gebeurtenis een positieve invloed hebben op mensen, zodat ze beter met teleurstellingen om leren te gaan. Tja, ik zie me al bij een supermarkt komen met een klacht en plop, mijn kop ligt eraf. Tja meid, omgaan met teleurstellingen. Het is nu eenmaal zo, leer er maar mee te leven. Beetje radicaal lijkt me.

We brachten een bezoek aan de San Miguelkerk, de oudste kerkstructuur in Amerika. Tien minuten later zou er een dienst worden gehouden en mocht je dus geen foto’s meer maken. Een handjevol gelovigen zat al in de kerkbanken en het moet voor hun heel storend zijn geweest, al die toeristen die binnen komen klossen. Die rondsluipen, foto’s maken, babbelen en wijzen, ook al is het nog voor aanvang van de dienst.


In de Loretta Church (die er qua structuur heel Europees uitziet) staat een wereldberoemde wenteltrap. De kerk was gebouwd, maar zonder trap naar het koor boven. In die tijd bestond het koor alleen uit mannen, vrouwen moesten zwijgen in de kerk. Gelukkig maar dat er toen geen Laureentjes bestonden, die met de handen in de zij even vertelden dat ze het daar niet mee eens waren. De mannen gingen met ladders naar boven. Trouwens nog een reden dat er geen vrouwen in het koor zaten: als ze de ladder opgingen kon er onder hun rokken worden gekeken.

Maar goed, de legende gaat dat de zusters toch een trap wilden en hebben gebeden om hulp. Want de architect die de kerk had gebouwd overleed voor hij aan die trap had kunnen beginnen en de plaatselijke timmermannen konden er niks mee. Uiteindelijk meldde een oude, grijze man zich en vroeg of ze nog werk voor hem hadden. Die trap dus. Hij heeft drie maanden aan die trap gewerkt, die zonder steun, spijkers of niks overeind bleef. Hij gebruikte alleen een zaag, een hamer en een tekenhaak en bakken water om hout in te weken. Na die drie maanden wilde Moeder Magdalena hem betalen, maar de man was verdwenen. Ze wist ook niet waar het hout vandaan kwam, want de plaatselijke houthandel had hem niets verkocht. Dus het was duidelijk dat de man van hogerhand was gestuurd.

O.k. ik snap dat je legendes met een korreltje zout moet nemen, maar zo krijg je toch heel wat vraagtekens. Ik bedoel, hebben ze niks gevraagd als ze hem een beker koffie of glas wijn brachten? Een maaltijd? Zo van: dat doe je goed,van wie heb je dat geleerd? Woon je in de buurt? Als je hout moet hebben, moet je zeggen dat het op onze rekening moet. Drie maanden zonder uitwisseling van informatie? Met vrouwen? Hm… Misschien hadden ze zwijgplicht, maar anders kan ik me niet voorstellen dat ze geen woord hebben gewisseld. Of desnoods onderling dingen hebben laten vallen. Dat hij zich niet regelmatig waste, gekke kleren droeg, wist hij wel wat hij deed, dat hij op een bepaalde manier naar een zuster keek, een onsmakelijke manier van eten had of teveel dronk. Vrouwen nietwaar?

Een groep jonge priesters uit Houston, Texas, bewonderden de trap en maakten bergen foto’s.

En zoals in iedere kerk die we bezoeken, waar dan ook ter wereld, heb ik een kaarsje gebrand voor die twee geweldige mensen die me zijn voorgegaan en die ik nog dagelijks mis: mijn ouders.

Verder gingen we. De bezienswaardigheden die ik net beschreef liggen allemaal aan de originele Santa Fe Trail. Het historische plein was, natuurlijk, volgeplempt met galeries, kledingzaken en andere nutteloze zaken die totaal niks toevoegen aan de geschiedenis van Santa Fe. Het was ondertussen 27 graden en in deze kurkdroge atmosfeer droog je echt meteen uit. Op het plein waren drinkfonteintjes waar je, gratis, je dorst kon lessen. Wat dat betreft zijn ze in dit continent socialer dan bij ons. Een paar Indianen zongen de laatste hits en het was tijd ons weer naar de camper te begeven.

We deden nog even een WalMart aan, waarna Henrie zich even overgaf aan een favoriete bezigheid: winkelkarretje rijden.

Ons doel voor die avond was een camping aan de Turqoise Trail. Dan kom je door een aantal gehuchtjes, waaronder Madrid (spreek uit: Meedrid). Een oud dorpje waar in hoofdzaak kunstenaars wonen, wat een hippieachtige omgeving geeft. Er was niet veel veranderd sinds de laatste keer dat we er waren.


Ook de ‘diner’ die indertijd speciaal was gebouwd voor de film ‘Wild Hogs’ stond er nog stoer bij.

We aten een lekkere salade en gingen weer op weg. We moesten voor een paar mijl helaas een stuk snelweg pakken, waar tientallen billboards het landschap verziekten.

Soms met gure koppen die je aankeken. Iets voor als je vervelende kinderen hebt: “Als je nu niet stil bent, komt die meneer als je slaapt stukken snot over je gezicht smeren.”

Het was 27 graden en daarmee sloten we de ‘koele’ periode af. Het zal vanaf nu alleen maar warmer worden, vandaag gaan we verder richting White Sands langs een, kennelijk, bezienswaardige route. Dit volgens het Tourist Information van Santa Fe. We gaan het zien, maar het wordt vast weer geweldig…

Wereldvakanties

%d bloggers liken dit: