Categorie archief: Amerika 2017

Californië, onze laatste staat van deze vakantie

We waren onderweg naar San Francisco, vanwaar we terug zouden vliegen. Dan rij je een eind langs Lake Tahoe, wat prachtige uitzichten geeft.


Als je het zo op de foto ziet, lijkt het een leuk stukje toeren, op je gemak, beetje blauw meer bekijken enzo. De werkelijkheid is anders, want de weg rond Lake Tahoe is sterrevus druk. Op de enkele plekken waar je kon stoppen en uitstappen stond het bomvol met auto’s. Dus ik nam deze foto’s terwijl we reden, met een enorme sliert auto’s en vrachtwagens achter me, die me allemaal zaten te haten. Het voordeel van zo’n lange camper is, dat ze je wat moeilijker inhalen. Zeer zeker op een tweebaansweg langs Lake Tahoe, oftwel: voor je heb je bijna altijd vrij zicht. De weg langs Tahoe voert je door piepkleine stadjes, soms met nog geen honderd bewoners, maar ze lijken allemaal aan elkaar vastgeplakt en vormen daardoor weer één grote bebouwde kom.
Op een gegeven moment rij je de grens over met Californië.

De weg klom over een bergrug heen en zo kwamen we weer boven de sneeuwgrens. We hebben deze vakantie meer sneeuw gezien dan heel de winter thuis. Maar hier is het, ondanks de sneeuw, 35 graden. De winter heeft dit jaar heel lang geduurd en ook hier zag je heel veel smeltwater.

Beken waren veranderd in kleine rivieren en je zag bomen en struiken in het water staan. Ook huizen waarbij het water al hoog stond.



Plekken waar normaal kleine stroompjes van de bergen komen, na bijvoorbeeld regenval, daar stortten nu watervallen naar beneden. Er waren veel herstelwerkzaamheden waar hele stukken weg waren weggeslagen. Heel apart is, dat je hier in Amerika zelden een stoplicht ziet om dan het verkeer te regelen. Meestal is het een man of een vrouw met een stopbord, die met een walkie talkie in contact staat met iemand die een eind verderop met zo’n zelfde bord staat. Als ze het bord omdraaien staat er ‘slow’ en mag je gaan rijden. Is de laatste auto vertrokken, dan geven ze door welke merk auto met welke kleur de laatste is, zodat, als die voorbij is gekomen, aan de andere kant het bord op ‘slow’ kan. De afstand tussen die twee personen kan soms verdraaide lang zijn. En moet je op dat stuk ook nog eens van baan wisselen, dan rijdt er iedere keer een zogeheten ‘pilot car’ voorop met op zijn achterkant: follow me. Aan het eind van het traject, waar je weer gewoon door mag rijden, slaat zo’n pilot car dan linksaf, zodat hij kan keren en de volgende sleep auto’s kan gidsen. Het gebeurt nogal eens dat je de eerste auto achter de pilot car dan ook linksaf ziet slaan en zich op het laatste moment corrigeert en rechtdoor rijdt. Altijd grappig als het een ander overkomt.

Omdat we Lake Tahoe alweer een eind achter ons hadden gelaten, werden de nederzettingen weer steeds schaarser. Als je dan net twintig mijl hebt gereden en je moet er nog vijftien naar het volgende stadje, heb je grote bewondering als je weer een fietser tegenkomt, die berg op, berg af zijn conditie zit te versterken. Wij haalden hem in, hij haalde ons in als we ergens foto’s stonden te maken, wij haalden hem weer in, enzovoort. Na een poosje zwaaiden we al naar elkaar alsof we oude kennissen waren die blij waren elkaar te zien.

In het volgende dorpje was een brug, een heel smalle waar je met een grote camper toch wel met enig mikken overheen moet.

Het behoeft geen uitleg dat er geen tegenligger meer bij kon. Een auto nam de bocht aan de andere kant heel ruim en stond pal voor de brug en bleef daar staan. En geloof me: zo’n camper zie je echt wel aankomen. “Vast een vrouw!” schuimbekte Henrie. Yep. Dus konden we allebei tegelijk: STOMME TRUT roepen. Het helpt niet, maar is wel lekker. Moeizaam manoeuvreerde ze achteruit en snapte niet dat ze stomweg in de weg bleef staan. Ze deed er lang over, vooruit rijden had ze minder moeite mee. Ik deed mijn armen over elkaar en bleef stomweg staan. We hadden ons bed bij ons, dus ze moest haar tijd maar nemen.

Uiteindelijk mochten we verder en stopten bij een Chinees restaurant voor onze favoriete lunch: een buffetje. Tenslotte moeten we weer lang wachten voor we ons daar weer aan kunnen verlustigen en ergeren ook. Ik heb er namelijk al vaker over gemopperd: over de ongelooflijke spilzieke mentaliteit bij dit soort gelegenheden. Zelfs in Europa herken je de Amerikanen aan wat ze op hun bord laten liggen als er ergens een buffet is. Hoppa, volladen maar en dan denken: o, ik heb geen trek meer, of: o, toch niet zo lekker. Neem dan een beetje, zie of je het lust en haal meer. Welnee, waarom al die moeite? Dan moet je zeker tien stappen extra doen en dat kan niet.
Aan twee verschillende tafels vertrokken de klanten en ik heb lompweg foto’s staan maken van hun borden.


Een boel garnalen, die om te beginnen levend gekookt worden om vervolgens in de vuilbak te mogen eindigen. Volgens mij worden onze borden bij de diverse restaurant ingelijst, omdat ze leeggegeten zijn. Precies zoals we dat thuis geleerd hebben. Bij één restaurant zagen we een bord: Eat all you want, but eat all you take (eet wat je wil, maar eet wat je neemt). Misschien is het gros van de Amerikanen dyslectisch en denken ze dat er staat: gooi je bord vol en laat dan de helft staan en ga vervolgens nog meer halen.

Verder gingen we, richting het eind van de vakantie. De dag voor vertrek hebben we een pakketje naar onszelf opgestuurd, met kleding, handdoeken en dat soort dingen. Ruim zes kilo was het. We moesten tenslotte onze verzamelde goederen mee zien te nemen. Alles werd ingepakt en donderdagochtend leverden we de camper in, met een zwaar hart: we wilden nog wel een maandje blijven. Van tevoren hadden we nog getankt, je krijgt hem met een volle tank mee en zo lever je hem ook weer in. Bij het tankstation hing een opmerkelijk bordje bij de slang.

Mensen waren kennelijk al vaker snuivend van ongeduld binnengestormd om te vloeken over de traagheid van het ding. Uiteindelijk kwamen we bij San Francisco Airport, je wordt dan gebracht met de shuttle van Road Bear. We hebben al heel wat vliegvelden gezien, maar het ging hier niet soepel. Om te beginnen kon je niet inchecken, dus er was een enorme wachtrij voor de balie (normaal check je in aan zo’n apparaat met je paspoort en worden ter plekke je boarding passes gedrukt). Door de hoeveelheid mensen was het bord onzichtbaar waarop stond dat die rij voor mensen was die ingecheckt hadden, via internet dus. Een paar lelijke woorden met veel g’s en erren rolden van mijn lippen en twee Amerikanen voor ons, die geen Nederlands spraken, knikten instemmend. De boodschap was duidelijk dus. Weer een poos gemartel in een andere rij en toen kwam een dame roepen dat mensen die met de vlucht van 14:00 uur vertrokken, naar een compleet andere balie moesten. Weer veel g’s en erren en instemmend geknik. Bij het inleveren van onze koffers was het nog even spannend in verband met overgewicht, ondanks ons pakje. Het was tot op het pond precies het toegestane gewicht.
Het was ondertussen half één, ons ontbijt lag alweer uren achter ons en bij de gate vanwaar we vertrokken was maar één iets waar je wat kon eten. Aan een balie kon je zitten, maar dan moest je wel een alcoholische snuisterij bestellen. Daar zit je dan tussen de middag pizza te eten en bier te drinken.

Nou ja, het hielp misschien om te slapen op het vliegtuig. Mij wel in ieder geval, ik kan nu eenmaal niet tegen drank overdag, ook al was het maar één biertje. Overstap in Frankfurt, waarom je daar wel in één keer naar toe kan vliegen, maar niet naar Schiphol blijft me een raadsel en punt van irritatie.
Vrijdag om een uur of vijf waren we thuis, geen files gehad tot ons geluk en het kattengeteisem was blij ons te zien. Sammie, ons stinkpoesje, gaat, als ze haar liefde wil uiten, altijd op je voet dicht tegen je been aanstaan. Ze was zo blij, dat toen ik gedoucht had en me af stond te drogen, ze in het bad sprong om daar tegen me aan te gaan staan. Billy en Thijsje wilden vooral nog even naar buiten en Aagje had besloten dat de schoorsteenmantel er decoratiever uitzag met haar dan met de kandelaars die er normaal staan. Die, en allerlei andere dingen, waren opgeborgen om eventuele destructieve neigingen van het gebroed tijdens onze vakantie te voorkomen. Thijsje, die haar nogal eens nadoet, vond het ook wel.


We hebben al een idee hoe we volgende keer gaan rijden, daar in het verre Amerika waar we geen genoeg van kunnen krijgen. Bijna vijfduizend kilometer hebben we gereden, door zeven staten en het was geweldig.
Dank je Uncle Sam, voor al het mooie dat je ons wederom hebt laten zien. Dat je ons aan je hand hebt meegetroond langs al die mooie dingen, die prachtige dieren en de leuke mensen die we hebben ontmoet. Je gastvrijheid was weer ongekend en zal ons altijd blijven lokken. Tot volgende keer!

Virginia City

Met pijn in ons hart vertrokken we van Cold Spring Station. Het was genieten geweest: de uitgestrektheid, de stilte en de heerlijke warmte en droge woestijnwind, om helemaal tot rust te komen.

De avond ervoor hadden we Bob nog onverwacht op visite, Jason had ons gevraagd hij hem nog even langs kon brengen zodat hij ons nog even kon zien. Zijn fysieke toestand was niet goed en vanwege de pijn had hij teveel van een bepaalde pijnstiller genomen: hij nam er nog twee toen hij bij ons was en zei dat we dat niet tegen Jason mochten zeggen. Voor we iets konden doen had hij ze al ingeslikt en even daarna zag je zag hem achteruit gaan en slapper worden. Jason en Jojanna schrokken vreselijk toen ze even later kwamen om hem weer op te halen en Jojanna huilde toen ze Bob met z’n drieën de auto in hielpen.
Het was ook geen fijn gezicht en eigenlijk vreesde ik voor die nacht, maar we hebben niets gehoofd of gezien voor we vertrokken. Ik heb het e-mailadres van Jojanna en zal ze één deze dagen een berichtje sturen. Geluk bij een ongeluk is dat Jojanna verpleegster is en een oogje op hem kan houden. Maar of we Bob nog te zien zullen krijgen de volgende keer dat we hier komen…
We kwamen langs de ‘schoenenboom’, we hebben die al vaker gezien, maar het hoe en waarom snappen we niet. Hij hangt helemaal vol en aan de voet liggen bergen schoenen die eruit zijn gevallen.

Sommige hangen er al heel erg lang. Kinderschoenen, sportschoenen, zelfs balletspitzen waren er te vinden, maar waarom? Geen idee.

Tussen Fallon en Cold Spring Station ligt niks, ja, nog een camping: Middlegate. Waar Cold Spring Station allemaal zonnepanelen heeft staan, wordt de energie op Middlegate opgewekt met generators. Binnen was het er donker en de geuren van de open keuken waar allerlei vet spul werd bereid sloeg je om de oren. Tegen het plafond waren honderden en honderden dollarbiljetten geplakt. Eigenlijk is dit een gewoonte uit mijnstadjes. De mannen uit de mijn kwamen na het werk een biertje drinken in de saloon en betaalden met een dollar. Dat was genoeg voor heel de week en gebeurde er iets in de mijn en zo’n persoon kwam niet meer terug, dan was zijn rekening betaald.

Verder gingen we en kwamen na een poos rijden en een bijzonder kronkelige weg uit in Virginia City. Virginia City ligt bijna 2.000 meter boven de zeespiegel, de winters moeten hier bepaald bars en lang zijn. Het is voornamelijk een hoofdstraat met Victoriaanse, houten gebouwen uit de negentiende eeuw. Virginia City bestaat sinds ongeveer 1859 en dankt zijn oorsprong aan de zilvermijnen. Natuurlijk is het nu zo commercieel als ik weet niet wat, met veel kunst- en souvenirwinkels, maar je krijgt toch een goed idee van hoe het toen was. De kleine huizen,de houten trottoirs, de hoofdweg die toen in hoofdzaak uit modder of stof moet hebben bestaan. Er is maar één camping, we hadden er al vaker gestaan en konden nu ook terecht. We hadden geluk, want de volgende dag zou hij drie dagen sluiten in verband met asfaltering werkzaamheden.
We hadden een mooi plekje met een vreedzaam uitzicht.

Nadat de boel was geïnstalleerd, gingen we het stadje in. Dat klinkt makkelijker dan ik het zeg: je moet daarvoor steil omhoog en met steil bedoel ik vreselijk steil. Het was dertig graden en dat merkten we toen erg goed, af en toe moesten we even stoppen, op adem komen en naar ons hart grijpen. Het was leuk om er weer rond te lopen en je proberen voor te stellen hoe het hier 150 jaar geleden was. Je hebt er diverse saloons en bij The Bucket of Blood gingen we even naar binnen om naar de optredende Comstock Cowboys te kijken, country and westernmuziek avant la lettre. De saloon zat vol met mannen met cowboyhoeden en ook de mensen in kleding van die tijd ontbraken niet.

Dat is namelijk ook zo leuk hier: er lopen veel mensen rond in kleding uit die tijd, wat het geheel een authentiekere uitstraling geeft.

Bij het etalagekijken zag ik een beeldje van Henrie en mij over vijftig jaar.

Er is ook een kleine brouwerij en de bierketels staan in de saloon. Je kunt dus biertjes rechtstreeks van het ‘vat’ drinken.

Ik ben geen bierdrinker en drink het alleen als ik op café ben. Ik mocht er een paar proeven voor ik een keuze maakte, maar eigenlijk vond ik ze allemaal niet lekker. Geef me dan maar gewoon een Jupiler, dat lust ik. Het was er rommelig druk, de muziek nog net geen house, voor ons ingrediënten om het maar bij één biertje te laten. Onderweg naar de camping liepen we langs The Red Dog saloon. Die was wel beter, maar och, we hadden het wel gezien. Op het podium lag een Rottweiler te dutten en door het licht in die hoek deed hij de naam van de tent wel eer aan.
Red Dog saloon
Routes door dit soort stadjes zijn hier altijd populair bij motorrijders. Doorgaans stoere mannen met bandana’s en stoere vrouwen achterop. De groep bikers die hier nu halt hield bestond uit alleen maar stoere vrouwen, die hun werkelijk machtige motorfietsen met rozen frutsels hadden opgesierd, zelf zwart met roze droegen en onder de tattoos zaten.

Het was nog heerlijk warm, dus pakten we de campingstoeltjes en gingen lekker buiten zitten. Een zwart katje kwam een paar keer voorbij, maar als je hem riep zette hij er de spurt erin en verdween ergens achter of onder. Het werd geleidelijk aan donker, wat meestal gebeurt ’s avonds en met het verdwijnen van de zon kwamen de sterren te voorschijn. De sterrenhemels die je hier in Amerika kunt zien zijn verbijsterend. In de woestijn kunnen ze ook zo prachtig zijn, waarschijnlijk door het gebrek aan vervuiling op zo’n plek. Ook nu waren er duizenden sterren te zien en mochten we zelfs een paar vallende sterren voorbij zien komen.

Ondanks dat het kouder en kouder werd, wilden we nog niet naar binnen. Het was doodstil, iedereen lag al te slapen in zijn camper en in de doodstilte hoorde ik ineens iets. Over de camping liep een jonge coyote. In het donker had hij ons misschien niet gezien, maar wel toen ik omkeek. Hij versnelde zijn pas en verdween in het donker. We gingen veel te laat naar bed, maar hadden hier wel wat nachtrust voor over.
Onder een stralende zon reden we de volgende ochtend Virginia City uit. Hier kun je een beetje de sfeer opsnuiven. Henrie die met de videocamera aan het filmen is (ik had tijdens het sturen mijn fotocamera op het dashboard gezet om te filmen) hoor je tekst en uitleg geven:

We kwamen uiteindelijk langs Lake Tahoe (spreek uit: Tahoo), reden Californië binnen en staan nu op een camping in Truckee. We hebben niet zover gereden als gepland, dat moeten we morgen inhalen, want donderdag vertrekken we. Tot zover is het rampzalig om een camping te bespreken die op een beetje normale afstand van Road Bear ligt: of je krijgt een antwoordapparaat of ze nemen niet op. We weten dus nu al: vertrekken vanaf San Francisco is geen optie meer in de toekomst.
Op deze camping wordt je op het hart gedrukt geen afval buiten je camper de zetten ’s nachts, vanwege de beren en coyotes. Een raar idee als je de in de verte de doorgaande weg hoort razen en af en toe het gefluit van een trein. We hebben gebarbecued en de boel staat buiten af te koelen. Het is al eerder gebeurd dat de volgende dag de barbecue omver lag op een camping in the middle of nowhere, gedaan door een coyote of ander wild dier die het lekker vond ruiken en hoopte iets in de afgekoelde as te vinden.
Ondertussen zijn de laatste dagen van onze reis aangebroken, helaas…

Relaxen bij Cold Springs Station

Zoals gezegd gingen we bij Bob langs, die net op punt stond om met Didi naar de dokter in Fallon te gaan. Een zweer aan zijn voet en die kan er uiteindelijk voor zorgen dat hij zijn voet kwijtraakt. Reden: gebrek aan beweging. Bewegen kost hem veel moeite, omdat hij veel pijn heeft. Maar dat is dus ook de neergaande spiraal: niet bewegen/pijn veroorzaakt door het niet bewegen/slechte doorbloeding/nog meer pijn/open benen/amputatie. Meer bewegen is dus de enige oplossing, maar ja…
Didi is een jonge vrouw die naar de mannen omkijkt en ze vervoert waar nodig. Don ligt in het ziekenhuis, met een vergelijkbare kwaal als Bob, die hem ook zijn benen kan kosten en eigenlijk wil het ziekenhuis dat hij naar een verzorgingstehuis gaat. Wat verder niemand wil, inclusief Don, dus dat wordt nog wat. Didi en Bob vertrokken en zouden proberen die avond nog bij Cold Springs Station in de saloon langs te komen, maar dat zou pas zijn als het donker ging worden.


Fallon ligt hier 100 kilometer vandaan en tussen hier en daar is niks. En met niks bedoel ik niks. Toen we ’s avonds in de saloon een biertje dronken, belde Didi op dat ze onderweg waren en of de bar nog even open kon blijven, omdat de boel normaal acht uur sluit behalve als de tent vol zit. Kwart over acht kwamen ze binnen en Didi werd door de eigenaresse die net aanwezig was, niet bepaald vriendelijk ontvangen. Barbara, zo heet die tante, had ons de avond ervoor al wat over Didi verteld en haar vermeende drugsgebruik en dat ze net deed of ze daar werkte en hier en daar en me zussemmezo. Afijn, ze komen binnen en Didi kreeg meteen van drie centen. Ze kon haar borrel meenemen en verder had ze een minuut om buiten te komen. Didi vertrok en Corry, het vrouwtje achter de bar, werd even geïnstrueerd dat Didi nergens mocht komen. Dat ze overal maar binnen liep en weer me hier emmedaar. We dronken nog een biertje met Bob en brachten hem toen naar de pick up truck waar Didi zat te wachten met haar gin tonic. Dit is iets dat ik bij deze saloon dus meer heb gezien: je wilt nog een borrel, wat het ook is. Die schenken ze in een piepschuimen koffiebeker (de berg drank die er in gaat is niet misselijk), ze doen een rietje door de drinkopening en die neem je dan mee voor onderweg. In de auto dus, als bestuurder. Nou staat hier nog geen boom waar je tegenaan kunt rijden en die ene doorgaande weg is zo goed als uitgestorven, maar het was wel even wennen.

We hadden afgesproken dat we na elf uur de volgende dag langs zouden komen. Het stuk weg naar de afslag naar Bobs huis is ongeveer acht kilometer en dan nog een anderhalve kilometer over een ongeplaveide weg.

Bij aankomst bleek Jo aanwezig te zijn. Ongeveer een kilometer achter Bobs land woont Jo. Een superleuke vrouw van 86 (!) die veel voor Bob en Don doet. Bob en Jo hebben twintig jaar lang een relatie gehad, tot zij die verbrak. Reden: Bobs drankgebruik, wat eeuwig zonde is, want ze was echt heel erg leuk en je zag haar haar leeftijd niet aan. Was vrolijk nog aan internet begonnen, had een paar paarden die ze ergens vandaan had gehaald omdat ze daar niet goed verzorgd werden, tuinierde en was met van alles bezig.

Het was leuk om weer bij Bob te zijn. Zijn oude hond Missie was helaas overleden, er liepen nu twee andere honden rond, die regelmatig een liefdesaanval hadden en half op mijn schoot gingen zitten of op mijn benen hangen met harde ellebogen.

Ik werd regelmatig afgezeemd en ze probeerden met geregel te omhelzen, wat nogal wat krassen gaf door hun harde nagels. Poes Patches, die we nu ook al vijf jaar kennen, lag prinsheerlijk op een kussen op de stoelleuning achter Bobs hoofd en was duidelijk heel goede vriendjes met de honden.

Op zijn land was niets veranderd. De stallen van de Pony Express stonden er nog precies zo bij, net als oude voertuigen, kachels en weet ik veel wat nog meer.

We hadden die ochtend besloten nog een dagje te blijven en in de saloon hadden ze die avond hun maandelijkse fish and chips onbeperkt avond. Met clam chowder soep (heerlijk) cole slaw en frietjes. Bob zou ook komen en Jason moest hem dan halen. Jason en zijn vriendin Jojanna hadden we de vorige dag even gezien, die woonden op de camping waar wij nu staan, recht tegenover ons en gingen naar zijn land verhuizen. Bob is zo’n doodgoeie man die altijd huis en haard voor iedereen openstelt. Jojanna is een verpleegster en zou ook de mannen verzorgen waar nodig.
Eind van de middag zat ik lekker buiten te lezen toen Jason aan kwam rijden met de mededeling dat hij Bob net had afgezet. Hij zat lekker op een bankje bij de ingang van de saloon een sigaartje te roken. Die ingang hebben ze op z’n Wild West opgesierd, met een graf, een koeienschedel en wervels.


We gingen naar binnen en Jason kwam ook mee-eten. Een toffe gast die heel veel voor Bob doet.

Jojanna kwam niet, want die was bezig met spullen inpakken voor de verhuizing. Hij ging haar wat te eten brengen en kwam terug met de mededeling dat ze zich behoorlijk bezeerd had. Wat was er gebeurd: ze wilde wat op een trailer (aanhanger) zetten en, in de veronderstelling dat die aan allebei de kanten vastzat was ze er met één voet op gaan staan. Vervolgens kantelde die kant naar beneden en kwam keihard op haar voet terecht, die meteen met zwellen begon. Jason bracht haar een zak ijs en zes flesjes bier en zei toen hij terugkwam dat ze het leuk zou vinden als we bij hun wat gingen drinken. Bob werd die paar honderd meter met de auto gebracht en wij stapten even onze camper binnen. Anderhalve minuut later stonden Bob en Jason voor de deur en werd Bob naar binnen gehesen. Er was duidelijk toch iets gebroken in die voet van Jojanna en ze gingen bij een vriendin twintig kilometer verderop een soort spalk/steunkous halen. Hij was zo terug. Dat duurde dus ruim een uur en Bob begon na een poos moe te worden. Nou ja, hij is 79, dan mag dat. Uit de saloon had hij een piepschuimen koffiebeker met whisky-cola meegenomen, daar wilde hij wel wat rum bij. Een mengsel dat nog net niet tot ontploffingen leidt, maar kennelijk smaakte het goed gezien de gretigheid waarmee hij het door het bijgeleverde rietje opzoog. Uiteindelijk meldden Jason en Jojanna zich, Jojanna met een biertje in de hand, Jason wilde er wel eentje van ons.

Uiteindelijk vertrok heel de handel en konden we nog even van de stilte genieten. Diezelfde stilte heeft ons doen besluiten hier toch nog een dagje te blijven. We hebben een paar favoriete campings hier in Amerika. Niet van die prachtige, supersubliem onderhouden campings met veel groen, maar juist die stoffige in de woestijn. Black Rock RV in Arizona, Robbin’s Nest in Nevada, Stove Pipe Wells in Death Valley en Cold Springs Station dus.
Het is hier doodstil op het vogeltjesgezang na en heel af en toe komt er in de verte een auto voorbij. ’s Avonds is het nog stiller en het enige geluid is af en toe een uil of een loeiende koe. De sterrenhemel is verbijsterend en het lijkt of je de sterren zo kunt plukken. Morgen gaan en moeten we verder, maar nu nog even een dagje ontspannen in de woestijn. De zon schijnt en is warm, maar een verkoelende wind maakt het perfect. Ontspannen in de woestijn kan ook andere dingen met zich meebrengen. Ik zat net buiten te lezen en ineens kwam er een windhoos zoals ik die nog niet eerder meemaakte die zeker een halve minuut aanhield. Henries stoeltje (Henrie zat binnen) vloog weg, mijn volle kop thee en flesje water werden van tafel geblazen. Een enorme golf zand kwam mee en geselde alles wat in de weg stond. De hordeur van de camper stond open en in een paar seconden tijd was alles in het zitgedeelte met zand en stof bedekt. Toen het voorbij was kwam ik overeind, mijn haar stond alle kanten op, vol met stof, zodat ik een echt windhoos kapsel had. Achter me zag ik in de woestijn een tornado-achtig iets, een ronddraaiende kolk stof. En net zo plotseling als het opgestoken was, was het ook voorbij. Als ik mijn kiezen op elkaar zet knarst het, we hebben binnen gestoft en nu ga ik weer buiten zitten. Relaxen in de woestijn, wat een oprecht genot!

Terug in Nevada: Cold Springs Station

Een paar dagen geen blog, omdat we de afgelopen dagen in hoofdzaak gereden hebben. Het was prachtig, door compleet uitgestorven gebieden. Voor ons een heel mooie tocht met vaak wijzen en elkaar vertellen hoe mooi het allemaal is, maar daar vul je geen blog mee. En we hebben meer sneeuw gezien dan de afgelopen jaren thuis bij elkaar.

Maar ook kilometers en kilometers afgebrande bossen.

In een gehuchtje hebben we geluncht bij Trudy’s Restaurant in Idaho City, waar het eten gewoon goed was, het uitzicht wat minder.

De naam van het dorpje deed werelds aan, maar er woonden geloof ik nog geen 500 mensen. De grootste attractie was de begraafplaats met 3.000 graven. 300 daarvan waren geïdentificeerd en 28 daarvan behoorden toe aan mensen die een natuurlijke dood waren gestorven. In het restaurant kon je een plattegrondje van de begraafplaats krijgen en er een eindje gaan wandelen, maar we waren al vrolijk genoeg van ons zelf, dus gingen we verder.

We kwamen langs een soort dam of overloop daarvan en de kracht waarmee het water de rivier in spoot was ongelooflijk.

De camping van die nacht was beelderig, maar ook de eerste die weer in een stad lag: in Mountain Home. Je hoorde het verkeer, het doordringende fluiten van treinen en vooral veel politiesirenes, allemaal geluiden die je in de uitgestorven gebieden, waar wij ons bij voorkeur ophouden, nu eenmaal niet hoort. Even kijken naar dezeplek? N43.13177 W115.67330

Ook de volgende dag strekte Idaho zich mijl na mijl leeg en eenzaam voor ons uit. Buiten de steden is geen straatverlichting, donker is daar dus echt donker. Je wordt dan ook beroerd van de vele doodgereden dieren langs de weg. We kwamen door een stuk land waar zo’n beetje iedere paar honderd meter werd gewaarschuwd voor vee op de weg. In die enorme, open gebieden loopt het vee hier overal rond en dus soms ook op de weg. Iets waar je stomweg rekening mee moet houden en waar je tot vervelens toe voor wordt gewaarschuwd. Het kleine, doodgereden spul langs de weg is al erg genoeg, maar als je een koe doodrijdt, moet je denk ik toch tamelijk hard en lomp hebben gereden. Koeien lopen doorgaans niet zo snel en springen niet zomaar ineens voor je auto.

We gingen de grens weer over met Nevada, maar er veranderde niets aan de leegheid. Maar dat is bekend van Nevada, dat grotendeels woestijn is.

We hebben overnacht in Elko: N40.85639 W115.73794 en het was koud! De volgende ochtend sneeuwde het zelfs licht. We hadden weer een lange tocht voor de boeg van 320 kilometer, maar eerst mochten we nog bij een Wal Mart langs. Zoals altijd verbaas ik me daar over het assortiment, zo uitgebreid en soms toch zo beperkt. De groenteafdeling was weer beelderig net als de slagerij.


Maar moet je bijvoorbeeld eens kijken naar dit pad met limonade.

Ik heb met gek gezocht naar suikervrije limonade, maar er was in hoofdzaak Cola Light en Pepsi Light en als ik dat ’s avonds drink doe ik geen oog dicht. Ook zonder cafeïne durf ik dat niet aan, niet met de afstanden die ik hier dagelijks rij en dan eventueel met slaaptekort vanwege genoemde cola. Ze hadden 7up light en nog zo’n soort limonade. Verder niets, niente, nothing. Van limonade met suiker krijg ik dorst en ik lig later met verhoogde hartslag in bed, dus ik moet dat spul niet. Je zou denken met al die obese mensen hier, dat juist suikervrije limonade goed verkrijgbaar zou zijn. Je ziet mensen die amper nog kunnen lopen door hun gewicht. Wal Mart heeft van die scootmobiels voor minder valide mensen die komen winkelen. Die worden vrijwel allemaal gebruikt door mensen wiens achterwerk over het stoeltje heen valt en die een paar vierkante meter oppervlak in gebruik nemen met hun omvang. De winkels van Wal Mart zijn werkelijk kolossaal, dus het is heel attent dat ze deze voorzieningen hebben. Maar het zijn eigenlijk altijd mensen met een enorm gewicht die ze gebruiken.
Henrie pakte een verpakking kaaszoutjes, daar doe je normaal een jaar mee. Hier beantwoordt het kennelijk aan een behoefte.

We reden verder door leeg Nevada.

Bij een begraafplaats zijn we even gestopt. Ondanks de snijdende wind ben ik even gaan kijken: begraafplaatsen zijn net almanakken, er is van alles te lezen. De graven waren al oud en vele al heel lang niet bezocht. De mensen die er rusten zijn allang vergeten en er wordt nooit meer aan gedacht. Soms zijn deze laatste rustplaatsen al helemaal overwoekerd en is er buiten een hekje niets meer te zien, soms zelfs geen hekje, alleen een onleesbaar, piepklein bordje.

Een eind verder was een kleine kudde paarden zo vriendelijk te poseren. Ik betwijfel of het wilde paarden waren, maar in Idaho en Nevada weet je dat nooit zeker.

We reden mijlen over de 50, ook wel de loneliest road in America genoemd. Tussen Austin en Fallon ligt Cold Springs Station, letterlijk in the middle of nowhere. Buiten Cold Spring Station is er tussen die twee steden niets. Het is een saloon met restaurant en een camping, waar we al een paar keer eerder zijn geweest.

De eerste keer dat we hier waren en we ’s avonds in de saloon een biertje dronken, kwamen er drie groezelige senioren binnen, met wie we aan de praat raakten: Bob, Bob en Don. Die drie mannen woonden bij elkaar in een huis, wat vroeger een pleisterplek van de Pony Express was en Bob, de eigenaar van het huis en het land, nodigde ons toen uit de volgende dag bij hem langs te komen, wat we deden. De oorspronkelijke pleisterplaats was uitgebreid met meerdere, grote vertrekken het de complete omvang van het pand was kolossaal. Op het omringende land lagen allemaal spullen en gereedschappen uit de tijd van de Pony Express die toen ook gebruikt werden. Ook stonden er nog twee enorme stallen, waar ze vroeger met de koets naar binnen reden, de paarden vervangen werden en er aan de andere kant weer uitreden. In de balken zag je nog de haren zitten van paarden die daar eind 19de eeuw doorheen kwamen en gestald werden.
Vorig jaar zijn we hier teruggeweest en hebben die mannen weer opgezocht. Bob, die het jaar daarvoor al erg ziek was, was ondertussen overleden. De ene Don, een voormalig oorlogsveteraan die gedecoreerd werd met meerdere (!) Purple Hearts en Silver Crosses (de hoogste militaire onderscheidingen) woonde nog steeds in zijn campertje naast het huis.
Morgen willen we Bob opzoeken, de eigenaar van het land en huis en voormalig geoloog. Don ligt in het ziekenhuis met open benen: veroorzaakt door aldoor zitten en niet bewegen, wat hem nu waarschijnlijk ook zijn benen zal kosten. Triest.
We hebben in de saloon een paar biertjes gedronken en wat gegeten en staan met de camper naast een hut. Vanwege een enorm elektriciteitsproject is de camping vol met campers van mannen die daar aan het werk zijn. De volgende camping is in Fallon, 79 mijl verderop, 127 kilometer dus. Dat is het volgende stadje. Henrie heeft gekeken waar een buitenaansluiting van elektriciteit was en daar mochten we de camper neerzetten voor een paar luttele dollars. Ik had vandaag al 200 mijl gereden (320 kilometer) en had geen zin in nog eens anderhalf uur sturen, dus dit is een prima oplossing én we kunnen morgen Bob opzoeken. Morgennacht zullen we dus hier ook staan, in de doodse stilte van de woestijn.

Idaho is groot en leeg

Al een paar dagen rijden we door groot en leeg Idaho. Gisteravond overnachtten we in Arco, een kleine stad met een beelderige camping aan een doodstille weg. Kijk maar via deze coördinaten: N43.62626 W113.30567

Tot mijn ellende zat er vanochtend een onbekend soort spin naast me aan tafel. Ik heb het al niet op spinnen, maar zo’n onbekend exemplaar doet me nog net niet gillen van ellende. De geluiden die ik voortbracht deden Henrie verbleken en die is toch al wat gewend na al die jaren. Ik heb het ventje, de spin, niet Henrie, opgevangen in een beker en buiten gezet, maar de hemel weet wat hier nog meer in de camper met ons meerijdt.

Als je ’s morgens wegrijdt ga je eerst langs de zogeheten dumpsters, de vuilbakken, en Henrie heeft ineens een nieuwe manier gevonden om daar mee naar toe te rijden. Jongetjes….

Idaho is mooi en uitgestrekt en op dit moment koud. We hebben een eind gereden door een prachtig gebied en na morgen gaan we richting Nevada. We hadden eerst de kustroute door Oregon willen nemen, maar er is een stuk weg weggeslagen door smeltende sneeuw. Het is hier een lange winter geweest en op diverse plekken is door de winter heen meer dan vijf (!) meter sneeuw gevallen, dat nu dus smelt en op veel plekken zorgt voor onvoorziene watertoevoer. In Yosemite zijn hierdoor zelfs nieuwe watervallen ontstaan. Watervallen hebben we niet gezien, wel veel grond dat blank staat en absurd snel stromende riviertjes en beken. Onderweg kwamen we op die eenzame, koude route nog een fietser tegen, die zijn hondje met zich mee vervoerde zoals we dat thuis met kinderen zien. Niet moeilijk je te realiseren wat dit hondje voor hem betekent.

Omdat er een koufront dit gebied intrekt hebben we besloten de route om te gooien, iets dat hier heel makkelijk kan. De lente is hier ook losgebarsten en wat er allemaal in de lucht zit weet ik niet, maar ik nies alles bij elkaar en de tranen stromen over mijn gezicht. Nee,het is geen verkoudheid, ik ken het verschil maar al te goed. Het hele jaar door slik ik dagelijks anti-histamine, maar ik heb hier al eerder gehad dat dat niet voldeed, dus nog meer van die rommel aangeschaft. Maar dan het spul waar je niet suf van wordt, zoals het gif dat ik normaal slik. Dit, gecombineerd met mijn normale anti-allergie pillen, helpt behoorlijk, maar niet afdoende zoals ik ook al eerder heb meegemaakt.
We stegen en reden door steeds wittere gebieden en hebben ondertussen meer sneeuw gezien dan de afgelopen jaren thuis.


Een enkele keer reden we een stukje door een dorp en het is ongelooflijk wat je hier aan oude auto’s ziet, die dus gewoon in gebruik zijn.

Buiten die nederzettingen is er niets en je rijdt zomaar 130 kilometer zonder zelfs maar een huis te zien.

De eerste camping die we aandeden was nog gesloten en uiteindelijk kwamen we terecht in Stanley. Er wonen hier 68 mensen, niet echt een metropool dus. De camping is bij een motel en heeft zeven plekken waarvan er, inclusief ons, drie van bezet zijn. Bij het motel zit een saloon waar we een paar biertjes hebben gedronken voor we gingen barbecueën.


Het gaat vriezen vannacht. Het is knus hier in de camper met de verwarming aan en easy listening muziek op de achtergrond. Morgen rijden we naar Boise en dan gaan we richting Nevada, naar de warmte. Het is een raar idee dat we donderdag over een week alweer terugvliegen. Aan de ene kant wil je niet, wil je doorreizen door dit fascinerende continent en je verbazen en verwonderen. Aan de andere kant wil je je katten kroelen en je gezicht in hun vacht verbergen, je tuin inlopen en de heerlijke geuren opsnuiven, met je buren kletsen, ’s nachts in je eigen bed liggen, naar je stamcafé gaan, weer de ruimte hebben en je vrienden weer zien. Heel dubbel allemaal. Maar nu genieten we nog, ieder uur, ieder moment en weten nu al wat we de volgende keer gaan doen. Raar? Nee, Amerika is geweldig en je krijgt er nooit, nooit genoeg van. Maar voorlopig zijn we er nog, gelukkig wel…

Yellowstone: Lamar Valley

Half vijf is altijd een onbeschaafd tijdstip om op te staan, maar we deden het vrijwillig. Noem het een vorm van zelfkwelling. De ochtendschemer was present en we begonnen aan de bochtige weg door het eerste deel van Yellowstone, dat ons eerst onder de beroemde Rooseveltpoort door leidde.

Lamar Valley staat bekend om de wilde dieren die hier overal rondzwerven: elk (een hertensoort), beren, bizons, pronghorns, berggeiten, wolven, een scenario waar Walt Disney van zou kwijlen. Als je vroeg bent, heb je kans om veel dieren te zien en is het nog superrustig. Je komt door Mammoth Hot Springs, waar een aantal elk en bizons de nacht op het gras doorbrengen.

Het was heel erg volle maan, we zagen geen weerwolven, wel prachtige uitzichten. Overal zag je bizons liggen met de dauw op hun vacht.

Een kudde elk keek ons nieuwsgierig aan, besloot toen dat we maar eng waren en keerde ons hun witte kont toe.

Omdat we zo vroeg waren vertrokken, hadden we niet ontbeten. Na een aantal uren stopten we op een mooi plekje, waar je vanuit de camper kon genieten van het uitzicht met grazende bizons.


Een grondeekhoorn kwam kijken of we niets kwaads in de zin hadden en verdween weer in gras, gerustgesteld kennelijk.

De parkeerplaats was leeg, maar terwijl we zaten te kauwen vulde die zich in rap tempo. Wij zagen niks, maar besloten toch maar om eens te gaan informeren. Bleek er dus een grizzly te zijn, maar zo ver weg dat wij er niks van konden zien. Ook niet met onze ingezoomde camera’s. Je ziet er telescooplenzen van een meter lang en iedereen is bereid je er door te laten kijken.

Natuurlijk kon ik het niet laten om een vader en een zoon te interviewen in verband met hun bijzondere hobby voor Noordernieuws: wildlife viewing wat ze kennelijk erg leuk vonden.

Mike en Matthew (r)
Mike en Matthew (r)

Opvallend was dat vooral de vader de scheppingen van onze Heer meerdere malen prees, bijbelteksten aanhaalde en ook een citaat uit de bijbel op de rug van zijn t-shirt had staan. Waar bij ons de kerken leeg staan, zijn er hier ontzettend veel religieuze mensen. In één hoofdstraat zie je soms zeven verschillende kerken, allemaal met een eigen richting van geloof. Verder gingen we en reden Yellowstone uit om even in Cook City te gaan kijken. Een plaatsje dat net buiten het park ligt en waar we nooit waren geweest, als het aan mij ligt komen we er ook nooit meer. Er mankeerde niets aan, maar het stelde ook niets voor. Een aantal motels, een zaak met goedbedoelde zooi voor toeristen en niet zo heel veel meer. Maar toen we het stadje inreden was er wel een prachtige vos die net overstak en wel een nanoseconde wilde poseren.

We hadden gehoord dat erin Slough Creek een wolvenhol was, je moest een mijl ofzo voor over een grevelweg rijden. Je zag vanzelf waar het was vanwege alle mensen die er probeerden een glimp van op te vangen. Voor we daar waren aangeland kwamen we langs een kleine kudde bizons waar een coyote tussen liep. Haast nederig sloop hij tussen die reuzen door, op zoek naar iets te eten.

Een bizon lag lekker te rollen in een grote kuil. Dat zie je in de lente vaak, overal waar bizons komen op de open vlakte zie je van die grote, ondiepe kuilen. Die gebruiken ze om heerlijk in te rollen om van hun wintervacht af te komen, die je dan ook in lappen los ziet hangen om hun grote lijf. Als je naar dat rollen kijkt, krijg je zelf ook een beetje jeuk op je rug.

Er stonden auto’s en kleine campers en er zaten mensen op stoeltjes met telescooplenzen van bijna een meter lang. Ze keken heel de dag naar genoemde wolven, die halverwege een heuvel huisden: vijf stuks met vijf jongen. Wij zagen natuurlijk niets, ook niet als we inzoomden, maar je werd door iedereen uitgenodigd om door hun kanonnen te komen kijken. Ik stond een poosje te suffen en had dus niet in de gaten dat een mevrouw al een paar keer had gezegd: “Lady in the black shirt, do you want to have a look?” Ze had het kennelijk al een paar keer gevraagd voor ik reageerde, wat haar ongetwijfeld een definitief oordeel gaf over mijn geestelijke gesteldheid. Via die telescooplenzen waren ze inderdaad bijzonder goed te zien. Heel de tijd hoorde je mededelingen als: ja, hij heeft zijn hoofd omhoog/je kunt nu de oren goed zien/er is er eentje opgestaan en loopt drie stappen/hij is weer gaan liggen/hij heeft zijn hoofd weer neergelegd/hij verlegde een poot.

Bij iedere medeling zag je de fanatiekelingen meteen door hun telescopen kijken en vervolgens werd je weer uitgenodigd om ook te kijken. Sommigen zaten hier tien uur per dag. Een meneer vertelde dat hij ’s nachts om half vier opstond om hier naar toen te komen!
We reden terug richting de weg toen een, waarschijnlijk dezelfde, coyote langs de weg omhoog sloop, kennelijk richting een pronghorn. Al is die eigenlijk te groot en die liep hij dan ook voorbij.


Natuurlijk stoppen er dan auto’s en stappen mensen uit om te kijken, net als wij. Goed,nu moet je je voorstellen: die weg is ingegraven en de zijkanten liggen daarom wat hoger. Een auto, natuurlijk met Chinezen, stopte naast ons en reed iedere keer een meter achteruit om foto’s te nemen van die dieren. Raampjes open, camera’s eruit, de auto werd zelfs de kant in gereden, op die manier die verhoging kapot rijdend, ondertussen heel de weg blokkerend.
Niemand kon er door, achter ons niet, voor ons niet, een andere auto die aan kwam rijden stopte voor onze camper en dus ons weer blokkerend. Toen het geklungel te erg werd heb ik de bestuurder toegebeten: “How about parking your car and getting out of it?” Hij mompelde wat en toen begon de bestuurder van de auto achter me, een Duitser aan het accent te horen, te roepen dat ik de weg blokkeerde en dat de auto achter hem er door wilde maar niet kon.
Dat werd me te erg en ik grauwde: “These bleeding Chinese are blocking this complete side of te road, there is a car right in front of our motorhome, WHAT THE BLEEDING HELL DO YOU WANT ME TO DO?” Nee, ik stond in de weg. Ik wilde nog: Fuck off, Adolf! roepen, maar hij reed door, omdat de Chinezen eindelijk hun auto langs de weg hadden gezet.
Terug op de doorgaande weg was het een hele poos rustig qua verkeer en ineens stak er een beer over. We hadden de primeur, er was zelfs nog geen park ranger te zien die de enthousiaste kijkers moest toeschreeuwen honderd meter tussen beer en jou te houden. Als typisch domme toeristen hielden we dus dan ook geen honderd meter er tussen, hoogstens zeventig en konden heerlijk foto’s maken van dit, ongeveer, drie jaar oude exemplaar.

Maar mooie liedjes duren nooit lang en al snel kwamen er meer kijkers en de onvermijdelijke park ranger. Hoe ze het iedere keer weer weten dat er ergens een beer is met kijkers is me een raadsel.
Uiteindelijk schommelde de beer het struikgewas in en zochten we de camper op, om een paar honderd meter weer op een horde mensen met telescooplenzen te stuiten. Nu waren er twee berinnen, eentje onder en eentje een eindje verder in een boom, met hun jongen nog een stukje hoger en alles sliep. Van de ene berin waren de jongen een beetje te zien, haar zag je goed liggen.


De andere berin sliep aan de voet van een andere boom en haar jongen zaten hoger en sliepen, elkaar omarmd houdend. Je ziet aan hun voetjes hoe ze zitten.

Hier waren twee park rangers aanwezig, voor het geval het spulletje wakker werd en de berinnen elkaar niet mochten. Maar ook voor als ze hun route zouden vervolgen, want dan zouden ze over de brug gaan die naast ons was. Beren hebben namelijk altijd hun vaste route. Op de rit verder mochten we nog een beer aanschouwen, leuk, want daar krijg je nooit genoeg van.


De park ranger die even later aan kwam scheuren, vervloekte ons nog net niet omdat we allemaal te dichtbij stonden, terwijl niemand van de weg was afgelopen en beval ons allemaal om terug naar de auto te gaan. Wat iedereen ook zoet deed. We hadden toch al lekker veel foto’s staan maken. We kwamen nog een coyote tegen en toen waren we terug op de camping.

Daar kwamen de herten voorbij die we de avond ervoor ook hadden gezien toen Henrie aan het barbecuen was.

Het was heerlijk weer en we hebben buiten gezeten, het internet was weer supertraag en dus kwam er geen blog. Vandaag hebben we een stuk door Yellowstone gereden om via West Yellowstone onze reis voort te zetten. Drieëneenhalve dag hebben we in die fascinerende, prachtige en woeste omgeving doorgebracht, we hebben er van genoten en met spijt in ons hart vertrokken we.
Het was warm en behoorlijk gaan waaien. In zo’n grote bak ben je dan constant aan het bijsturen, want door de oppervlakte is hij mega windgevoelig. In Rexburg hebben de Wal Mart aangedaan waar we een aantal dagen geleden ook waren en gegeten bij hetzelfde restaurant, waar het eten zo ontzettend goed is en toch zo goedkoop.
De camping in Rigby (Idaho) lag letterlijk in the middle of nowhere met een heel beperkt aantal plaatsen en de goedkoopste die we in jaren hebben meegemaakt. Bij een camper zaten een paar mensen buiten, die ons hartelijk begroetten en een praatje maakten toen we uitstapten. De mevrouw die de boel hier bestiert was er niet en toen ze terug was ben ik naar haar toegegaan om te betalen. Ik kreeg een bosje seringen, een kroel en ze bleef nog lang praten, oftewel: een hartelijk mens. Omdat we hier van alles verlaten zaten, was er ook geen internet. Soms een flard, maar eigenlijk zaten we zonder, dus wederom geen blog. Het waaide nog behoorlijk en in combinatie met deze kleine, afgezonderde camping met aardige mensen was het eigenlijk heel knus. Weer zo’n plek om naar terug te verlangen. Wil je het zelf zien? Vul dan deze coördinaten even in op Google: N43.64182 W111.70241.

Yellowstone National Park

De laatste dagen hadden we te maken met supertraag internet, het was sneller geweest als ik jullie allemaal afzonderlijk een brief had gestuurd. Nu is het ook niet super, maar ik doe een poging.

Eergisteren was in hoofdzaak een reisdag, door wederom prachtige gebieden, een lunch in een family diner en als eind van onze trip West Yellowstone. Op de beoogde camping hadden we door de jaren heen al een paar keer gestaan en die ligt dicht bij één van de ingangen. We moesten een eind rijden om hier te komen, omdat de zuid ingang nog steeds is gesloten. Op een onnatuurlijk uur ging de wekker: 04.45. Heel gek, waar we normaal redelijk getalenteerde slapers zijn, deden we nu amper een oog dicht. Als we een uur hadden geslapen was dat veel. Zwijgend deden we alle benodigde handelingen en gingen op weg, terwijl alle verstandige mensen nog in hun camper lagen te slapen.

Het was koud en net boven vriespunt. Je moest je waterslang ook afkoppelen voor de nacht in verband met bevriezen. Om zes uur reden we Yellowstone binnen en het was meteen overweldigend.
Madison River lag er dampend bij en gaf onwerkelijke uitzichten. Een kudde vroege bizons wandelde over en langs de weg, met kleuters die vrolijk overal doorheen dartelden en af en toe stopten om te snacken bij hun moeder. Een paar bizons hadden of ruzie of deden stoer, maar ik had niet graag tussen die stotende koppen gezeten. Ze zien er heel gemoedelijke en vriendelijk uit, maar ze zijn zeer agressief en onbetrouwbaar.

We kwamen bij een board walk die ons langs de diverse bubbelende modderpotten en geisers leidde, het was stil, verlaten en koud.

In zo’n pure omgeving is het dan heel storend als je bij een houten paal allemaal peuken ziet liggen, een onduidelijk flesje (injectie?) en papiertjes, allemaal met kennelijk Chinese tekens. Er staan overal vuilbakken in overvloed, waarom moet dan in vredesnaam alles vijf meter van een vuilbak op de grond worden gegooid?

Ik weet dat ik niet mag generaliseren maar ik zeg het toch, want verdraaid, die Chinezen staan altijd in de weg en houden nergens rekening met mensen die ook wel een foto willen maken en dringen zich met busladingen overal tussen. Als je een berg geschreeuw hoort aankomen, weet je al welk volk er aan komt. Ik overdrijf niet. We zijn allemaal op vakantie en rekening houden het is normaal, maar om de een of andere reden doen zij dit niet. Nergens. Ik had net die zooi geregistreerd en er kwam alweer een auto aan met deze mensen die hun auto gewoon scheef op de parkeerplaats zetten, daarmee meerdere plekken in beslag nemend op plekken waar het gewoon druk kan worden. Dergelijk structureel gedrag is me een raadsel en ieder jaar zie ik de consequente bevestiging hier van en het lijkt steeds opdringeriger te worden.

Heel dit deel van Yellowstone barst van vulkanische activiteit, letterlijk. Yellowstone is een caldera, een platte vulkaan, die iedere 600.000 jaar uitbarst. De vorige uitbarsting was 650.000 jaar geleden, dus je zou denken dat er weer eentje aan zit te komen, wat een aparte dimensie geeft aan je uitstap. Je ziet de kleinste plekjes waar damp uit komt en waar je hoort borrelen, maar ook bijvoorbeeld een Grand Prismatic Springs, een warme bron van 70 graden, die iedere minuut 2.000 liter water de rivier in stort. Overal om je heen hoor je borrelen en zie je dampen. De aardkorst kan op sommige plekken heel dun zijn, met brandend zuur eronder die door laarzen heen brandt!

We waren zonder iets te eten of te drinken vertrokken en dan laat de natuur zich gelden. Eén van de vele voordelen van een camper is, dat je overal kunt stoppen om te eten, naar de wc gaan of wat dan ook. We ontbeten en genoten van het uitzicht. Maar als je dan verder rijdt en je wordt moe, met een slechte nachtrust als basis, dan zakken je ogen op een gegeven moment wel dicht . Wat doe je dan? Je parkeert ergens en stort in bed. Je slaapt een paar uur en bent weer nieuw. Tijd om naar Old Faithful te gaan, een geiser die ongeveer iedere 90 minuten ‘uitbarst’. Tijdens onze dut had het al behoorlijk geregend, maar de weergoden waren ons goedgezind en de zon kwam om de hoek kijken. Er stond een vuilcontainer met diverse inwerpgaten en in eentje daarvan kwam ineens een boommartertje kijken.

In eerste instantie leek het op een poesje, toen op een vosje, maar het was dus een martertje, die dacht dat hij daar een lekker beschut plekje had. Helaas, nu is het nog stil in Yellowstone, dat zal met een aantal weken veranderen en zal hij een ander plekje moeten vinden.

Old Faithful begon aan zijn uitbarsting, maar die leek minder fanatiek dan we ons herinnerden, al bleef het nog heel erg imposant. Dit filmpje heb ik even van youtube gepikt, vanwege het mega langzame internet hier. Als ik mijn filmpje moet uploaden wordt het nachtwerk.

We liepen verder en zagen de lucht donker worden, op het zwarte af. Net op tijd waren we in de camper toen het losbarstte en regen, natte sneeuw en hagel neerstortte. Dan is je mobiele onderkomen wel heel erg knus als je zit te lunchen en je overal mensen naar hun auto ziet rennen. We wilden nog iets bekijken: Norris Geyser Basin, ook weer een prachtige omgeving, zwaar van zwaveldampen en mooi genoeg om er tijden met openhangende mond naar te staan kijken. We gingen terug naar de camping van vannacht. Het is hier nu 23.00 uur en we hoorden net het bekende geluid van de park rangers, een soort krakende sirene die ze gebruiken om bizons van de weg te halen.
We mochten uitslapen, de wekker ging pas om half zes. We reden door sneeuwvlaktes en de bizons waren ook al op. De babybizonnetjes waren net jonge katjes en dartelden overal tussendoor. Op veel plaatsen waar geisers waren, was de lucht zwanger van zwavelgeuren, die vooral in de camper ‘lekker’ lang bleven hangen.

Je weet als je ineens ergens een berg mensen, auto’s en campers ziet staan, dat er iets te zien is. Zo ook nu en in de verte liep een beer. Je zag telelenzen van nog net geen meter lang en tientallen mensen stonden gefascineerd te kijken.

Zoals de Chinezen nogal rolbevestigend zijn, zijn de Nederlanders dat ook heel vaak. Een campertje wrong zich overal tussen, een man stapte uit en riep in zijn handen wrijvend met een volume die de beer honderden meters had kunnen opschrikken: “WHERE IS THE BEAR?” Dat kon niet anders dan een Nederlander zijn en was het dus ook…
Er stonden nog twee Nederlandse dametjes die de schreeuwlelijk in het Engels te woord stonden en toen tegen elkaar fluisterden: “Zullen we verder gaan.” Die dachten kennelijk hetzelfde als wij.
Ook wij gingen verder, reden en liepen door de sneeuw en bekeken al het prachtigs.




Uiteindelijk gingen we naar een camping in Gardiner. We hebben hier al vaker overnacht en zitten dicht bij de ingang naar Yellowstone. Henrie die aan het barbecueën was, zag iets uit zijn ooghoeken en vlak voor hem stonden twee reeën te grazen, dan zie je hoe je in de natuur bent.
Kijk maar: N45.03304 W110.70155.
De wekker is al gezet, 04.30 zal hij ons ruw uit onze slaap wekken. Morgen willen we naar Lamar Valley, daar zijn we ook al geweest en we weten dus dat die bekend staat om de aanwezigheid van wilde dieren en dat is altijd fascinerend. Daar sta je dus wel vroeg voor op!

Grand Teton

De naam Grand Teton, oftewel grote tepels/borsten, werd ooit door een meneer verzonnen. Misschien had zijn vrouw een grillig gevormde voorgevel, we zullen het nooit weten. Als ik de Grand Teton zie, denk ik nooit aan tepels of borsten, maar aan koude, harde rotsen die hooghartig op je neerkijken. Het was alweer een paar jaar geleden dat we hier waren en deze bergrug ligt bij Yellowstone, één van de reisdoelen van deze vakantie.

Eerst was het zo, dat als je je toegangsbewijs kocht voor of Grand Teton of Yellowstone, het andere park daar automatisch bij zat. Dat is dus niet meer zo, zagen we bij de ingang. Als je alleen naar, in dit geval, Grand Teton wilde betaal je $30,-, de reguliere toegangsprijs. Maar wil je een combinatie met Yellowstone, dan is dat nu $50,-! Gelukkig hebben lieve vrienden die vorig jaar in Amerika waren een pas gekocht waarmee je alle National Parks mee in kunt en ze hebben die kaart aan ons gegeven. Die is nog tot oktober geldig en vandaag spaarden we daar dus een aardig bedrag mee uit. Vorig jaar kregen we precies zo’n pas van een goede vriend die hier net was geweest. Je kan wel eens geluk hebben…

Er lag nog veel sneeuw in Grand Teton en de wind was schraal en vals. Viel die wind even weg, dan was het meteen bloedheet, dus het was vest aan, vest uit. De laatste keer dat we hier waren is drie jaar geleden. Toen lag er amper sneeuw, maar Jackson Lake was bevroren, nu is het andersom.

Nog vorige week heeft het hier behoorlijk gesneeuwd en door de winter heen is er op sommige plekken in totaal vijf meter gevallen. Mede door dit feit dat het dus nog zo lang koud is geweest, waren er niet veel dieren te zien, wat jammer was. Wat nog jammerder is, is dat de zuid-ingang van Yellowstone hierdoor zelfs nog gesloten is en in het park zelf ook nog diverse wegen. Dat beperkt je dus wel, zonde, want het is een prachtige, fascinerende omgeving. We moeten daarom ook naar de west ingang rijden en zijn daarom weer terug in Idaho. Onze coordinaten hier zijn N43.59858 W111.12687.

Morgenochtend staan we heel erg op tijd op, om toch op een vroeg tijdstip Yellowstone binnen te kunnen rijden. Om de grote meute voor te zijn en hopelijk nog veel dieren te kunnen zien.

Dat zal wel betekenen dat we morgenmiddag in slaap sukkelen, maar och, je parkeert ergens en doet een dut. Eén van de vele voordelen van een mobiel onderkomen op vakantie.
Wil ik nog iets aparts vertellen: in de diverse Wal Marts zocht ik naar zakjes kaassaus voor een gerecht. Ik vroeg het bij de laatste Wal Mart aan een aardige dame die daar werkte (die me vroeg uit welk deel van Engeland ik kwam) en ze wees me een doosje aan met zakjes kaassaus. Ik blij, het was wel prijzig, maar goed. Blijkt het dus niet in poedervorm te zijn, maar drie zakjes kant en klare kaassaus die je alleen in de magnetron hoeft te doen om op te warmen. Alles is hier anders…

Via een lege bar naar Wyoming

Het zou een rit van ruim vier uur worden vandaag, een vermoeiend dagje dus. Een camper rijdt nu eenmaal anders dan een auto. We wisten van tevoren dat we door een leeg gebied zouden rijden, maar wel erg mooi en daar gaat het tenslotte om. We waren zo gelukkig om twee elanden tegen te komen, die zie je niet zo vaak: het zijn heel schuwe dieren. Eén van de twee was wel nieuwsgierig en als hij een camera had gehad, had hij foto’s van ons genomen.

Tot voor een paar dagen schijnt het hier nat en koud te zijn geweest. Het natte is nog te zien aan de diverse stukken land die blank staan. Net als bij deze wei waar stieren in het water staan te grazen.

Een jonge stier vlak bij me keek me aan, vragend, waarom snapte ik niet, tot hij weg stapte en ik zag dat hij een zere voorpoot had. Ik vond het zo zielig, want hij keek nog een paar keer om, maar ik kon hem niet helpen. Wat moest ik doen? Het was overal mijlen ver vandaan en ik had natuurlijk geen idee wie de eigenaar was.

We stegen gestaag en reden door gebieden met veel sneeuw.

Op één plek ging iemand met een sneeuwscooter de berg op, met kinderen in een soort slee achter zich aan. Op een bepaalde hoogte werden ze losgemaakt en konden ze naar beneden glijden. Ik kreeg er zelf wel een beetje zin in.

Nu ziet dat er allemaal heel koud uit, maar dat was het dus absoluut niet. Alle sneeuwfoto’s heb ik gemaakt in korte broek en t-shirt, want het was zeker twintig graden. Een heel aparte gewaarwording. Ondertussen waren we al een week in Amerika en hadden nog steeds geen hamburger gegeten en dat moet je toch wel een keer doen. Dus dan stop je ergens en ga je zo’n dingen eten, maar NIET bij een Mac Donald, dan eet ik liever niet. Je kreeg er frietjes bij die er niet als frietjes uitzagen en bij elkaar was het een behoorlijke hoeveelheid, die ik dan ook niet opgekregen heb. Maar Henrie bood zich aan om te helpen, hm. Maar goed, zonder hem was het niet gelukt.

We vervolgden onze weg en plotseling was daar de state line en reden we Idaho binnen.

We kwamen vervolgens door het plaatsje Paris, een nederzetting met 479 bewoners. Waar die dan allemaal huisden weet ik niet, want het was er uitgestorven.

Je zag geen mens en heel wat winkels, restaurants en huizen stonden te koop, een doodse bende.

Ook hier stond een mormoons tabernakel, die wel heel erg afstak bij de rest van de gebouwen. De deuren waren gesloten, dus binnen kijken ging niet door.

Ernaast stond een borstbeeld op een sokkel van ene Charles Coulson Rich, met een plaque met beschrijving van al het geweldigs dat hij tijdens zijn leven had gedaan. Het enige wat ik van die opsomming heb onthouden, is dat hij zes vrouwen had en VIJFTIG kinderen!! Twee klaslokalen vol! Moet je je al die verjaardagen voorstellen, de cadeautjes met Kerst, de maaltijden, de namen van die jong die je allemaal uit elkaar moet houden. Een nachtmerrie gewoon, al had hij dan die zes vrouwen om de boel in het gareel te houden. Zou hij met zijn eega’s in één bed hebben geslapen? Of hadden die allemaal een aparte kamer en mochten ze strootje trekken wie hij die avond zou komen bezwangeren? En die vrouwen, zouden ze wel eens ruzie hebben gehad en tegen hem hebben lopen klagen? Of waren ze eensgezind en bekritiseerden ze onderling zijn sexuele prestaties en de irritante gewoonte aldoor in zijn neus te peuteren?

Ik werd beetje moe van al die gedachtes en we wilden net verder rijden toen er een auto naast ons stopte. De mevrouw die achter het stuur zat vroeg of we meer wilden weten over het tabernakel, misschien kon ze ons helpen. Ik zei dat we in hoofdzaak binnen hadden willen kijken. Dat ging dus niet, ze wenste ons nog een goede reis en reed door, maar het was wel heel erg vriendelijk van haar.

Langs een uitgestorven stuk weg stond ineens een lege bar. Reden om op de rem te trappen en de boel te gaan verkennen. Henrie ging richting achterkant bar en ik ging de stacaravan verkennen die een eindje verderop stond. Omdat je binnen niet meteen overzicht hebt, is het wel even een beetje eng, maar ik ben toch alle kamers binnen gegaan.

Daarna ging ik naar de achterkant van de bar, waar Henrie net breed grijnzend aan kwam lopen: hij had een open deur gevonden. Het was geweldig! Wat daar nog allemaal stond en lag, tartte alle beschrijvingen. Tot en met dozen met elpees uit de vijftiger en veertiger jaren, bakelieten exemplaren. Maar ook albums met foto’s, barklokken en -borden, glazen, een biljart, gokkasten, jukebox, dozen met speelgoed, handtassen, verzin het maar . Gezien het stof stond de boel alweer een poosje leeg.

We konden natuurlijk niet alles meenemen, helaas, maar hebben toch een aantal dingen in de camper ondergebracht. De één met van alles in de armen, de ander op de uitkijk, want het stond aan een drukke weg.

Bierreclame
Bierreclame
elpees
elpees
Peper en zoutvaatje
Peper en zoutvaatje

Hoe we het mee gaan nemen weet ik nog niet, dat moeten we nog verzinnen. Ondertussen zijn we beland op een camping in Wyoming en het heeft net geregend.

Altijd knus als je in je camper zit, als het morgen maar droog is…

Onze coördinaten? N42.91050 W110.99600

Salt Lake City

Gisteren was een reisdag, dus niet zo heel veel te melden. Onze tocht ging nog steeds door Utah, het gebied was redelijk leeg met wat nederzettingen wijd verspreid. Alle huizen in die nederzettingen waren losstaand en keurig. Allemaal leuk om te zien, maar niet veel om over te vertellen. De natuur was natuurlijk prachtig, wat dat betreft konden we onze ogen de kost geven.


Toen we bij een meer stopten en even een stukje gingen lopen, hing er een wolkje mugjes boven mijn hoofd en dat vloog met iedere stap met me mee.

Toen we Manti in kwamen rijden, viel een groot, hoog gebouw dan ook meteen op. Ik moest eigenlijk aan een casino denken, maar je weet dat dat in Utah niet voor zal komen. Henrie dacht aan een hotel, maar in deze lege omgeving, met uitsluitend laagbouw?

We besloten er brutaalweg naar toe te rijden om te gaan kijken. Voor de parkeerplaats moest je een steile helling op en we konden ons meteen vergapen aan een perfect onderhouden oldtimer. Henrie moest het kwijl van zijn kin vegen van aanbidding.

We liepen richting gebouw en ineens snapte ik het en zei: “Joh, dit is een mormonentempel!” Een oudere mevrouw die er liep beaamde dat, het was de Church of Jesus Christ of Latter-day Saints, waarvan de bouw in 1874 begon en hij was in 1885 klaar. Zo’n tempel mag je niet zomaar in, zoals bij ons in de kerken. Je moet echt lid zijn of expliciet zijn uitgenodigd. De tempel wordt als een heilige plek beschouwd, waar niet Jan en alleman binnen mag klossen. We liepen er omheen en in het gras naast de tempel zat een jonge vrouw met haar dochtertje: Courtney en Quinn.

Courtney en haar dochtertje Quinn
Courtney en haar dochtertje Quinn

Ik sprak haar aan en ze vertelde dat haar man binnen was bij een bruiloft, maar jonge kinderen mogen de tempel niet in. Dus was zij buiten gebleven, omdat het trouwende stel vrienden van haar man waren. Meisjes mogen dus vanaf hun 19de en jongens vanaf hun 18de de tempel in. Vroeger was dat 21 en 19, maar dat is veranderd. Mocht je 18 zijn en al getrouwd, mag je wel naar binnen, mits je de regels van de tempel respecteert. Dat houdt onder andere in: geen alcohol, thee, koffie, tattoos, drugs, kortom, alles was slecht voor je is.
Nu ben ik in alle religies geïnteresseerd: de gebruiken, de hoe en waaroms, dus het was interessant om allemaal te horen. Zo mogen kinderen vanaf hun 12de jaar tot hun 18de in naam van een ander gedoopt worden in een speciale doopkamer van de tempel.
Het mormoonse geloof zegt dat de leden van families allemaal samen moeten kunnen zijn, ook na hun overlijden en kunnen dat mensen die ongedoopt overleden zijn, via die kinderen dan toch gedoopt kunnen worden, zodat ze uiteindelijk met hun familie herenigd zullen worden in het hiernamaals. Want anders niet kan. Ze vertelde ook, en een goede vriend had ons dat al eens verteld, dat in Salt Lake City, waar de hoofdtempel van de mormonen staat, een enorme bibliotheek en databank is met gegevens van zowat iedereen op de wereld. In geschrift, maar ook op te zoeken via speciale sites op internet. De reden voor al die informatie is dus dat mensen familieleden kunnen vinden, die mogelijk ongedoopt overleden zijn en die ze op beschreven manier dus toch kunnen laten dopen. Al die dingen die ze vertelde deed ons besluiten de tempel in Salt Lake City te bezoeken. We namen afscheid en reden verder, om onderweg te zien dat iemand bisons als ‘huisdier’ had.

Een voorproefje op Yellowstone. Nadat ik foto’s had gemaakt, struikelde ik haast over een schedel van een hert. Aangereden herten laten ze hier gewoon langs de weg liggen, zodat de kraaien en gieren een macabere maaltijd kunnen genieten. Dat hoort bij de natuur, daar kan ik inkomen, maar de doodsoorzaak is altijd een onnatuurlijke auto.

We overnachtten in Springville, op een camping met de coördinaten N40.18961 W111.64094, en vanochtend stortten we ons in het verkeer. Normaal mijden we de snelwegen als de pest, maar nu moesten we wel. Salt Lake City is een stad met 1.2 miljoen mensen, dat is veel en dat merk je aan het verkeer. Druk dus.

Zo’n 46 mijl van tevoren, zo’n 73 (!) kilometer van tevoren beginnen de voorsteden al. Dat kun je je bij ons toch niet voorstellen? In die drukte kun je met zo’n grote bak geen oog van de weg houden, want hij is en wind- en rijbaan gevoelig. Hij remt door zijn gewicht ook niet zo snel als een gewone auto en heeft een langere remweg. Je kunt je voet wel goed op de rem zetten, maar als je te heftig afremt vliegen de kastjes open en ligt je hele huisraad al dan niet in scherven door je mobiele onderkomen heen.

Het rijden door Salt Lake City was geen pretje en een parkeerplek voor ons bakbeest vinden was een probleem. De parkeergarages zijn te laag, of de camper is te hoog, het is maar net hoe je het bekijkt. De openbare parkeergelegenhed waren alleen geschikt voor auto’s, ergens anders mocht je een uur staan wat te kort zou zijn, hier weer dit, daar weer dat. Uiteindelijk vonden we een eind van de tempel vandaan een plek in een straat waar je twee uur mocht parkeren.
We liepen naar Temple Square, waar het allemaal te zien was. De tempel zelf, die de hoofdtempel is van de mormonen, was natuurlijk verboden terrein, maar er was nog veel meer te zien.

We verzeilden in het tabernakel. Je hebt dus de tempel, maar ook het tabernakel plus nog een kerk, omdat er gewoon te weinig ruimte was voor alle volgelingen. Het tabernakel kon in het begin met de oorspronkelijke indeling 10.000 mensen kwijt. Het viel me op dat er een filmcamera stond en overal hingen van die speciale studiolampen. Een mevrouw sprak me aan en vroeg of ik wat wilde weten. Die camera en lampen dienen dus voor de wekelijkse uitzending op zondag. Dan wordt heel de dienst op t.v. uitgezonden. Er is dan een orkest, allemaal vrijwilligers, en een koor met 300 mensen.

Ze liet me een foto zien van de tempel van bovenaf en ik vroeg haar waarom de tempelniet in kruisvorm was gebouwd, zoals de kerken die we in Europa kennen. Haar man kwam er bij en samen vertelden ze me van alles. Ook dat het kruis geen symbool is van hun geloof en dat je nergens kruisbeelden bij hun aantreft. Omdat ze geloven in een levende Christus. Ook dat je in hun tempels geen afbeeldingen of iconen zult aantreffen, die je alleen maar afleiden. Ze stelden voor om ons een rondleiding te geven en Henrie, die net voorbij was geslopen, kwam net weer terug binnen en we werden meegenomen over het terrein naar een gebouw, waar boven een mooi beeld van Jezus stond.

We kregen een maquette van een dwarsdoorsnede van de tempel te zien en nog veel meer.

Dwarsdoorsnede van de tempel
Dwarsdoorsnede van de tempel

Het bleek dus al gauw dat ze dachten dat ze een paar zieltjes te winnen hadden: wij dus. Nu zei ik al dat religies me in beginsel interesseren. Twee jaar geleden deden we een privé toer in Monument Valley. De Navajo gids vertelde me, naar aanleiding van mijn vragen, alles over hun religie, hun gebruiken en gewoontes, maar heeft nooit geprobeerd me te bekeren tot het Indianengeloof. En dat vind ik dus hinderlijk van veel godsdiensten: ze proberen je te vaak te bekeren.

Martin en Judith
Martin en Judith

Martin en Judith, zoals deze mensen heetten, waren absoluut heel vriendelijk en behulpzaam. Ze spraken elkaar aan met elder en sister, een bepaalde titel binnen hun geloof. Alle mannen werden aangesproken met elder en de vrouwen met sister. Ik vroeg me prompt af of hij zijn vrouw thuis ook zo aansprak. We kregen zelfs een cadeautje: the book of Mormon. Op hun verzoek moest ik een bepaalde alinea voorlezen, ik snapte er niks van, ook niet toen ik het later herlas. Misschien betekent het wel dat we nu verbonden zijn aan de Mormoonse kerk en geen thee of alcohol meer mogen drinken. Een prima reden om het dan ook weer de rug toe te keren. Ze vroegen mijn emailadres en of we het op prijs stelden als er iemand langs kwam als we weer thuiswaren. Op de eerste vraag gaf ik mijn spam emailadres dat ik voor mailings gebruik, op de tweede vraag antwoordde ik lompweg: nee. Maar de vasthoudendheid van de mormonen kennende trekken ze zich daar toch niks van aan.
We namen afscheid en gingen naar de bibliotheek om daar een kijkje te nemen in het eerder beschreven informatiecentrum met stambomen en gegevens van mensen over de hele wereld.

Er stonden tientallen computers die bijna allemaal bezet waren en talloze boekenkasten. Geweldig om te zien, maar helaas waren de twee uur parkeertijd zo goed als op. Mijn voeten liepen al te schelden en snauwden me vriendelijk toe dat ik maar moest uitzoeken hoe ik bij de camper terug ging komen. De terugtocht was uitermate pijnlijk en moeizaam en door de warmte ook nog eens zwaar. Maar we zijn er gekomen en reden Salt Lake weer uit, althans, daar doe je wel even over. Met enig mikken vonden we een camping in Brigham (coordinaten N41.44508 W112.04160 voor degenen die even willen kijken)en we werden net uitgenodigd bij het kampvuur te komen zitten. Henrie is er vast naar toe gegaan, ik volg ook maar wilde jullie eerst laten weten dat we, ondanks alle pogingen, niet bekeerd zijn…